is toegevoegd aan je favorieten.

De vallei van de mist

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VIT

Midden in ’t lengtedal, dat men de Oase van Dakhla noemt, verrijzen hier en daar nog enkele lage heuvels en op één van deze is de stad Mut gebouwd. Stad? Nu ja, zeg maar stadje, want ofschoon de Oase van Dakhla de dichtstbewoonde van alle Egyptische oasen is, telt Mut niet meer als ’n goede duizend inwoners.

De zon is nog niet achter de westelijke kalkheuvels van de oase gedaald, als onze karavaan Mut nadert.

„Wat zijn dat toch voor vierkante ruimten?” vraagt Henk aan Selim en hij wijst op muren van gebakken rode klei, alle in de vorm van ’n vierkant. In één van de vier muren is ’n toegang, die door ’n paar dunne boomstammen is afgesloten.

„Veekralen, Master Hennik. De Mutters drijven daar vóór zonsondergang hun kamelen en koeien in. Daar worden de melkdieren gemolken en ook verzamelen ze op deze manier de mest, waarmee ze hun landen vruchtbaar maken.”

Van de stad zelf kan Henk nog niet veel zien; hij ziet alleen ’n hoge, dikke kleimuur, waarboven hier en daar ’n platgedakt huis uitsteekt. Geen vrolijke pannedaken, maar ’n rechte muur, waar lang, droog gras op schijnt te groeien.

„Net ’n vesting,” denkt hij, en hij is niet zo ver mis, want om zich tegen vijandige aanvallen te beschermen, hebben de Mutters, al eeuwen en eeuwen geleden, beschermende wallen om hun woonsteden gebouwd. Ook hun huizen hebben dikke muren en wonderkleine vensters.

De karavaan trekt door de gaping in deze vestingmuur. Daarbinnen staat aan weerszijden ’n groep donkerkleurige kinderen en Oom Karei, die wenst te weten, waar de nieuwe Omda woont, vraagt dit aan een van de zwartogen.

De aangesprokene, alleen aan ’t gezelschap van z’n eigen makkers gewend en min of meer bevreesd voor den blauwogigen vreemdeling, hoe vriendelijk die ogen ook vragen, wijkt achteruit en zwijgt.