is toegevoegd aan je favorieten.

De vallei van de mist

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Henk brengt ook Oom Karei op de hoogte van ’t geval.

„Laat ’t maar aan Ahmed over om er ’n eind aan te maken. Hij kent z’n Pappenheimers. Je kunt vanavond met hem meegaan, maar neem de lantaarn mee. De maan komt laat op,” raadt Oom hem aan.

De schemering duurt in de Oase van Dakhla maar kort; om zeven uur is ’t al donker, als er geen maan is.

Henk begeeft zich met de brandende lantaarn naar ’t postkantoortje, waar Ahmed hem wacht.

„Ga je afrits schieten?” lacht Henk, als hij ziet, dat de gids z’n geweer in de arm heeft.

„Waar is de loop van gemaakt?” vraagt Ahmed onverstoord.

„Van ijzer zou ik denken.”

„En weet jij, dat alle woestijngeesten doodsbang voor ijzer zijn? Vraag ’t maar eens aan Selim of Raman. Moesa zegt, dat hij niet bijgelovig is. Dat mag ’n Senoesiër ook niet zijn. Ze beweren, dat zij alleen de ware godsdienst hebben. Maar ik zeg je, Moesa is net zo bijgelovig als de rest. Als ze ons strakjes begluren, zullen ze wel naar buiten komen, want ’n geweer verjaagt alle afrits.”

„Wat heb je toch in die blikken bus?”

„Witkalk.”

„Wat ga je daar mee doen?” vraagt Henk hoogst verwonderd.

„Dat zal je wel zien, Kapiteintje. Je moet niet zo nieuwsgierig zijn.”

Henk weet, dat Ahmed ’t niet zo kwaad meent en hij trekt er zich daarom ook niets van aan, dat Ahmed hem geen verdere inlichtingen wil verstrekken.

Ze stappen beiden naar de veekraal.

Raman en Selim komen uit hun hut. Ze hebben aanstonds gezien, dat de gids z’n geweer bij zich heeft.

„Waar is Moesa?” vraagt Ahmed.

„We hebben hem de hele middag niet gezien.”

„Ik zie z’n kameel ook niet,” vervolgt Ahmed.

„Daar rijdt hij ’s middags mee weg.”

Ahmed vraagt niet verder.