is toegevoegd aan je favorieten.

De vallei van de mist

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hiëroglyphen, dansen voor de ogen van den reus ’n stille, geheimzinnige dodendans.

De kleine, granieten tempel aan de overzijde van ’t dal, slechts half door ’t scheidende zonlicht gekoesterd, rukt zich los van z’n fundamenten en zweeft zwaarteloos omhoog, kantelt, draait geheel en al om en blijft op ’n oude plek wankelend z’n evenwicht zoeken.

Millioenen zilveren vonken sprankelen in razende vaart over palmen, kamelen, vijver en tempel en lange, ragfijne, witgloeiende naalden schieten in alle richtingen uit de rotswanden.

De zwaaiende reus zinkt op de knieën. Z’n brede, zwarte mond opent zich wijd en over de gebarsten tong stoot de rauwe keel een enkele schorre klank: „Moesa!”

De zware gestalte steekt de armen omhoog, één, twee, drie ogenblikken, en slaat met doffe smak langs de roerloze, neergeworpen vracht neder.

Moersoek, de veehoeder, staat in de open deur van z’n huis, dat als ’n arend nestelt op de bergwand, daar, waar de kloof geleidelijk afdaalt naar ’t dal. ’t Dagwerk is achter de rug en hij geniet van z’n rust, van de koesterende warmte van de avondzon en van ’t heerlijk uitzicht op ’t lage dal, waar de kamelen rustig liggen te herkauwen en ’t vijverwater over de rondafgeschuurde rotsblokjes murmelt.

Plotseling wordt z’n aandacht getrokken door de geheimzinnige verschijning midden op ’t kloof pad.

Verbaasd staart hij naar de zonderlinge bewegingen van dien groten, zwarten man en als deze knielt, de armen opheft en met ’n smak voorover valt, ijlt hij aanstonds langs ’t bochtige wegje, dat van z’n huis naar de kloof loopt, naar de plaats, waar hij dien man zag vallen.

Twee menselijke gestalten liggen roerloos naast elkander uitgestrekt.

Moersoek ligt dadelijk op de knieën en luistert of er nog leven in de bewustelozen is.

„Ze leven, maar o Allah, wat hebben deze mensen geleden!