is toegevoegd aan je favorieten.

De vallei van de mist

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Na ’t avondmaal.”

„Ja, Doctor. Dank u,” zegt Henk en spoedt zich naar den nieuwen kok van Dr. Ibn Saud.

’t Is nog vroeg in de morgen.

Henk, die in de kamer, die nu lang geen ziekenkamer meer is, zich, dank zij den Doctor, geriefelijk geïnstalleerd heeft, ontwaakt en springt, zo fris als ’n hoentje, ’t bed uit.

Vroeg naar bed en vroeg op, is de leuze in de Vallei van de Mist.

Henk schiet z’n pantoffels aan en verlaat in z’n nachtkleren, ’n badhanddoek over z’n schouder, ’t vertrek.

Daarbuiten hangt, diep in de vallei, ’n grijze mist, waarin de donkere bomenkruinen en de vage omtrekken van liggende kamelen te zien zijn. De mist kleeft aan de berghellingen, maar meer naar boven wordt ze dunner en dunner en de bergtoppen en ’t huis van Moersoek koesteren zich al in de gulden zonnestralen.

Henk wipt vlug de enkele treden van ’t voorportaal af en spoedt zich naar beneden.

Bij de vijver gekomen ontkleedt hij zich en stapt voorzichtig in ’t water, dat aan de kant niet zó diep is, dat hij er in kan duiken, maar zwemmen, dat kan.