is toegevoegd aan je favorieten.

De kinderen van Jan Valentijn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FRED KRIJGT EEN AUTO EN DE PRET BEGINT.

„Och, ik zal wel eens zien,” zei Fred, de nu blinkende onderdeden van de waschmachine op hun plaats schroevend en zijn werk met voldoening beschouwend. „Wat was de naam ook weer van die keet, ik herinner mij zooiets van een Indiaansch woord...”

„©wattepan,” zei Bram, „een woord, afkomstig van de Mohikanen en dat beteekent: O wat een pan!”

Op dit oogenblik weerklonk de claxon van een automobiel.

„Daar is vader,” zei Fred, naar buiten wijzend, waar de Chryslerwagen van den heer Bakker kwam aanrijden. „Ik mag wel gauw mijn rommel uit den weg ruimen, anders zal je wat hooren.”

Mijnheer Bakker was echter zoo wijs, niet onmiddellijk de garage in te rijden, wel wetend, dat Fred altijd den vloer vol gereedschappen en onderdeden had. Hij stopte de auto voor de deuren en, den rem vastzettend, riep hij de jongens toe:

„Hallo jongens, wat fabriceeren we nou weer? O, ik zie het al, de waschmachine, hè? Zeg Fred, ik heb slecht nieuws voor je. Een vriend van mij zal voor een paar dagen de garage met mij deelen en zijn wagen hier brengen, tot zijn eigen garage klaar is. Je moet dus met je werkbank en al je gereedschappen en rommel naar den kelder verhuizen. Die is groot en ruim genoeg. Bovendien is het daar warmer; de winter staat voor de deur en het zal wel gauw te koud worden voor je, om hier in de garage te werken. Ook kan je dan een oogje houden op de centrale verwarming.”