is toegevoegd aan je favorieten.

De kinderen van Jan Valentijn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN ONGELUKKIGE KLANT.

„Is u niet bang al dat geld te verliezen?” vroeg hij.

„Ik? N ... n-n-n... neen, heelemaal n... n-n-n ... niet... Kan mij niet s-s-s-s-s... schelen... Ik ben niet b... b-b-b... bang... Ik betaal altijd c... c-c-c... contant, ziet u... en heb v... v-v-v... veel geld n-no-noodig.”

„AU right,” sprak Fred. „Ik zal u een kwitantie geven.”

„B.... b-b-b... best. Dan neem ik de f... f-f-f ... fiets mee.”

„Wat? U wilt de fiets meenemen en kunt niet eens rijden?”

„M ... maar u zult me 1... 1-1-1... lesgeven, niet?”

En ofschoon Fred trachtte hem uit te leggen, dat dit een beetje meer tijd vereischte, dan de jongeling wel dacht, de kooper wilde met alle geweld het motorrijwiel zelf naar huis rijden.

„Maar u zult bekeurd worden door de politie ... en ge zult nog een ongeluk krijgen!” protesteerde Fred.

Het baatte niets. De stotterende jongeling scheen bijzonder met den koop in zijn schik te zijn. Niettegenstaande zijn spraakgebrek hield hij van babbelen. Hij vertelde Fred, dat een rijken oom van hem gestorven was en hem al zijn geld had nagelaten, meer dan honderd-duizend gulden. Zijn voogd had hem er duizend gulden van gegeven om zich mee te amuseeren. Motorfietsen waren altijd zijn ideaal geweest, maar tot nog toe was hij nooit rijk genoeg geweest er zich een aan te schaffen. Nu was dat echter anders en dat was de reden van den aankoop.

Nu legde Fred hem uit, hoe den motor te