is toegevoegd aan je favorieten.

De kinderen uit het Laurierstraatje

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„ vma je t leuk om schipper te worden?” vroeg Bram. „Ik zou t zo eng vinden als ’t stormt,” zei Mien. „Och, kinderen, jullie zijn nooit op ’t water geweest, dat hoor ik wel! ’t Is zo prachtig. Dat moet je ’s avonds zien; eerst de ondergang van de zon en dan als ’t donker is! Op ’t water de boten met hun lichtjes, die er zo fijn in weerkaatsen en aan den wal hier en daar verlichte huizen, en lantarens. Dat is reuze mooi. En ’s morgens Ie zonsopgang! En als het onweert! Die bliksem! Och, ian is de lucht zo schitterend! Ik zou aan den wal niet cunnen leven! Ik voel me akelig opgesloten, vooral in n stad. Hier in Amsterdam zou ’k ’t nooit uithouden, k Zal blij zijn als ik er uit ga van den zomer!”

„ t Is hier fijn,” zeiden de kinderen.

„En ons weiland is heerlijk! Het heet hier eigenlijk ,aurier-dorp, weet je. Maar van den zomer gaan we er a soort strand van maken.”

’n Soort strand! Daar begreep Dorus niets van. Trouwens het geheel ging hem boven z’n pet. Dat hobbelige tukkie bouwgrond moest ’n dorp voorstellen en later ou ’t weer in ’n strand veranderd worden. Neen! Hoe at allemaal in mekaar zat, dat was hem te geleerd!

En de jongens voelden dat deze kameraad anders was an zij. Hij kwam dan ook van buiten en woonde vaak p ’n schip. En zij waren in ’n grote stad gewend!

„ t Is nou pet bij ons,” begon Dorus weer, terwijl ij van de stelten sprong en gemoedelijk bij hen ging itten. De stelten lagen op den grond; niemand had loed om er aan te komen. Ze hadden er ’n onbewust ispect voor.

„Wat bedoel je?” vroeg Mieke. „Hebben jullie pech et een of ander?”

„Ja! Tante had iemand besproken om het benedennsje vast schoon te maken, dat het klaar zou zijn als

- «.muilen uii nei laurierstraat je