is toegevoegd aan je favorieten.

De kinderen uit het Laurierstraatje

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dus aan t werk, jonge lieden!” beval Bram die tot aller spijt de taak van den aanvoerder over moest nemen.

Want Dorus die vertrokken was, had zijn baan aan Hein over kunnen doen. En Hein die dus nu hele dagen in de weer was, kwam ’s avonds nog wel eens een kijkje nemen, als grote jongen nu, soms zelfs met 'n sigaretje in den mond. En dan begrepen ze allemaal dat Hein niet meer bij hen hoorde.

„We kunnen zonder hem,” dacht Bram, die de scheiding de eerste dagen heel erg voelde.

Maar toen hij eenmaal van het Indianenkamp had gesproken ging hij er op door, de anderen deden gretig mee en onbewust was het hele dorp opeens in een kamp herschapen.

De dijk werd hersteld en het fort begon er al aardig op te lijken.

„Aan zee hadden we het niet hoger,” beweerde Bertie.

„Niks aan zee, zei Bram, „wij denken hier niet eens aan zulke kinder-spelletjes. Je bent nu onder de Indianen, de Hotten-totten! Wacht maar, mannetje, als we straks hier oorlog gaan voeren. Dat wordt om van te rillen en te beven.”

„Laat geen blanke broeder of zuster het wagen ons terrein te betreden, noch zijn, noch haar leven is zeker!”

„Maar... als Mieke dan komt,” zei Beppie en met betraande ogen keek ze naar Bram, die opeens zo bars praatte.

„Zij is n uitzondering, ze mag onze Koningin wezen!”

„Je moest haar ook eens wat doen,” zei Tom en hij ging in de houding staan. Hij was nu bijna vijf jaar en vond dat ie mep telde.

Na ’n morgen van hard werken kwam het fort gereed. Met trots stonden ze er naar te kijken. Ze wandelden er