is toegevoegd aan je favorieten.

De kinderen uit het Laurierstraatje

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nou, hij heeft wel ’n extra pretje verdient als je zo vier lange weken in ’t ziekenhuis hebt gelegen!’

„En hij kan nog niet eens gewoon lopen,” wist Mien.

„Vond jij ’t eng toen je hem opgezocht hebt?” informeerde Lien.

Och neen, ze hadden het toch niet zó griezelig gevonden.

„Die lucht in de gangen was naar!” vond er één.

„En toen ik er in kwam reden ze net iemand op ’n brancard weg!” vertelde Koosje. „Mens, het was zo eng! Iemand die onder ’n laken lag; ’t kon 'best ’n dooie geweest zijn! Ik dacht dat ik van m’n stokje ging; zo akelig was het!”

„Maar Hein zag er altijd even gewoon uit,” zei Anneke. „Alleen dat ie ’n pleister op zijn hoofd had! En dat er ’n gewicht aan z’n been hing.”

Neen! Hein was niets naar geweest om te zien en de anderen die om hem heen lagen ook niet! En zij hadden in de gangen ook nooit iets bizonders gezien. Dat was natuurlijk alleen Koos weer geweest. Die beleefde wel meer dingen die de anderen nooit óverkwamen.

„Hein heeft er vaak genoeg pret gehad,” wist Lien.

„En verwend als ie werd. O, jeetje, hij kreeg dozen vol lekkers! En stapels boeken! en spelletjes!”

„Neen! In ’n ziekenhuis liggen was tenslotte helemaal niet erg,” vonden ze.

Maar Bertie keek hen bedenkelijk aan.

„Als je van thuis weg moet,” zei hij, „en als ’t dan avond is en je ligt daar zo alleen ’s nachts.”

„Alleen! . Op zo’n volle zaal! Dan ben je toch niet alleen!”

„Je bent niet bij je Vader en Moeder,” zei hij kort.