is toegevoegd aan je favorieten.

Nienke van Hichtum vertelt weer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OP DEN BODEM DER ZEE

L

Toen het water door de bewegingen van de zeester helemaal in beweging kwam, had de kleine kreeft zich gauw verstopt tussen het verwarde zeegras op de rots, en daar lag hij nu te rillen en te beven voor al de gevaren van deze vreemde, nieuwe wereld.

Toen hij ’t eindelijk waagde zijn schuilplaats te verlaten, was de zeester gelukkig verdwenen; maar de lege schelpen van de mossel lagen geopend tegen de helling van de rots. Hij begreep daaruit, dat zijn eerste kennis verdwenen was in de maag van de zeester, die nu ergens anders het sappige hapje tevreden zat te verteren.

„Wat is dat toch verschrikkelijk!” zuchtte de kluizenaarskreeft. „Zelfs een mossel heeft dus haar vijanden en haar schelpen helpen haar op zo’n manier niet veel. Ik moet dus een ding zien te vinden dat er aardiger en steviger uitziet dan zo’n stelletje schelpen, om er mijn gevoeligen staart in te steken.”

En hij krabbelde heen en weer over de rots, zich telkens als hij meende dat er gevaar dreigde, verstoppend in ’t zeewier, en ondertussen aldoor uitkijkend naar bescherming voor zijn staart.

Daar ontdekte hij eindelijk het lege huisje van een zeeslak! Hij bekeek het nauwkeurig, mat het met zijn ogen of ’t wel groot genoeg was, — en ja, dit was nu juist het ding, dat hij nodig had!

Maar hij zou er zeker eerst om moeten vechten met den tegenwoordigen bewoner, dacht hij. Hij stak er dus zijn scheuren diep in en voelde en tastte. Maar nee de schelp was leeg! „Dat is een meevallertje!” dacht hij, terwijl hij er vlug in glipte.

Ja, dit huisje was schoon en gemakkelijk, en hij paste er precies in.

Ziezo, nu waren alle gevoelige plekjes van zijn lichaam in veiligheid en nu dit in orde was, voelde hij zich in staat, eiken vijand, die hem niet met huisje en al inslikte, af te weren.

Maar naarmate hij groeide, werd zijn woning hem op den duur wat klein. Ze drukte hem overal en dat vond hij allesbehalve prettig! Maar kijk — op een goeden morgen zag hij een ander slakkenhuis drijven, precies als ’t zijne, maar groter! Hij onderzocht eerst eens of ’t leeg was — en toen hij dit zeker wist, — wip! — daar zat hij er al in.

Pas was hij op die manier verhuisd — of kijk! — daar had je ook alweer diezelfde zeeanemoon — een dier in den vorm van een schitterend rode bloem — die boven op zijn eerste schelp had gewoond en steeds alle brokjes had opgehapt, die hij liet vallen.