is toegevoegd aan je favorieten.

Nienke van Hichtum vertelt weer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DP DEN BODEM DER ZEE I.

jne piepkleine larf je, dat terecht kwam op het huis van den kluizenaarskreeft.

Als de zee-anemoon nu maar begrepen had, wat dit voor een indringertje was, ze zou stellig wel een middel hebben gevonden om het te verdrijven; maar het sponzenlarfje was zo héél héél klein, dat ze het in ’t begin helemaal niet opmerkte. Maar ’t duurde niet lang, of de gehele oppervlakte van de schelp was al bedekt met een bruin, kleverig goedje; en de anemoon vond dat zó vies, dat ze wel genoodzaakt was een anderen vriend te zoeken, met wiens overschotjes ze zich kon voeden.

De kluizenaarskreeft merkte nauwelijks dat zijn bovenbuurtje hem verlaten had, want het duurde niet lang of de spons was al zó groot geworden, dat ze zich over ’t gehele huisje uitstrekte, zodat ze den bewoner helemaal verborg voor de ogen der hongerige vissen, die hem maar al te graag hadden willen oppeuzelen.

Maar al groeide de spons ook nog zo hard, de kluizenaarskreeft bleef ook steeds groeien en ’t duurde niet lang, of ook deze woning werd hem alweer te nauw.

Maar toen hij er eens op een morgen uit kwam kruipen om zijn stqve ledematen eens wat uit te strekken, toen bevond hij zich, tot zijn grote verbazing, in een nauwen gang met sponsmuren, welke zich langzaam verwijdde naar den uitgang, die naar lucht en water voerde.

„Wel, wel,” dacht hij, „dat ziet er hier goed uit! Nu hoef ik nooit meer naar een ander huis om te zien; want ik woon nu in een levend ding, dat nóg harder groeit dan ikzelf, en ik heb een deur die nooit te nauw zal worden om er door te kruipen. Dit is heel wat beter dan een schelp!”

En zo bleef dan het alikruikenhuisje zitten in een verborgen hoekje van de al groter wordende spons, als een kinderwiegje in een rommelkamer, en de kluizenaarskreeft bleef, zolang hij leefde, zijn nieuwe sponsenhuis bewonen.

Maar terwijl hij zich zo echt verheugde over zijn fijne woning, vergat hij daarbij één ding; zijn snelle groei had hem totnutoe zó dikwijls genoodzaakt een andere woning te kiezen, dat hij telkens in een schoon huisje kwam, wanneer zich in het vorige een beetje vuile rommel begon op te hopen.

Maar niet lang nog had hij in zijn sponsenhuis gewoond, of hij begon te merken dat ’t daarbinnen vies begon te ruiken.