is toegevoegd aan je favorieten.

Nienke van Hichtum vertelt weer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

DE ONSTERFELIJKE TOVENAAR

„Wat betekent dat?” riep hij uit.

„Ach, Onsterfelijke Kostsjei, zie, zó trots ben ik op je, zoveel houd ik van je, dat zelfs je Dood, die in dezen bezem is opgesloten, mij dierbaar is.

„O jij domme vrouw, heb je dein niet begrepen dat ik dat maar uit de grap zei? Mijn Dood is daar ginds in dien eiken paal ingevoegd.”

Den volgenden ochtend heel vroeg trok Kostsjei weer ten oorlog en Iwan Tsarewitsj sloop weer stilletjes naar zijn paleis en hielp de Onvergelijkelijke Schoonheid, den eiken paal vergulden met zuiver goud.

Pas was hij vertrokken, of Kostsjei kwam weer thuis en alweer riep hij, toen hij binnen kwam: „’t Is toch waar dat ’t hier naar Russen ruikt; Iwan Tsarewitsj is vast en zeker bij je geweest.”

„Och kom, ik heb je al tweemaal gezegd, dat die bepaald verscheurd is door de wilde dieren, toen we hem daar alleen lieten liggen slapen in ’t bos. Hoe zou hij dan hier kunnen komen?”

Nu werd het tijd voor ’t avondeten. Dezen keer nam de Onvergelijke lijke Schoonheid plaats op de bank, en bood Kostsjei den stoel aan. Pas zat hij, of zijn oog viel op den zwaren eiken paal, die schitterde en straalde, alsof hij in vlammen stond.

„Wat betekent dat?” riep hij uit.

„Ach, Onsterfelijke Kostsjei, dit betekent, dat ik zoveel van je houd, dat zelfs je Dood mij dierbaar is.”

„O, jij domme vrouw, heb je dan niet begrepen dat ik dat maar uit de grap zei? Nee, hoor, in dien paal is mijn Dood niet. Die zit in een ei, het ei zit in een eend, en die eend zit in een ouden boomstronk, die ronddobbert in de blauwe zee.”

Den volgenden morgen trok Kostsjei weer ten oorlog en de Onvergelijkelijke Schoonheid bakte lekkere koeken voor Iwan Tsarewitsj, terwijl ze hem vertelde, waar hij den Dood van Kostsjei kon vinden.

Dadelijk begaf hij zich op weg, en na een langen zwerftocht kwam hij aan den oever van de blauwe zee. Hij had honger en de lekkere koeken had hij al eerder opgegeten.

Plotseling vloog een havik hem rakelings voorbij. De Tsarewitsj legde op hem aan. „Havik,” riep hij, „pas op — nu schiet ik je, want ik heb honger.”

„Eet me toch niet op, Iwan Tsarewitsj! Er zal een tijd komen, waarin je mijn hulp nodig hebt en dan zal ik je bijstaan.”