is toegevoegd aan je favorieten.

Nienke van Hichtum vertelt weer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

HOE IK MET KOOPVROUW TRESEL UITGING

„Nu, ’t komt er eigenlijk ook niet op aan!” zei Tresel. „Morgen komen ze natuurlijk tóch bij mij.”

Omdat het, in de diepe sneeuw uitgetrapte paadje maar heel smal was, liep Tresel vooruit met haar mars, die, met het dikke pak dat er bovenop was gebonden, ver boven haar hoofd uitstak, en achter haar aan tippelde ik; en zo gebeurde ’t maar zelden, dat ik iets van de wereld rondom te zien kreeg over de sneeuwburen aan weerszijden van den weg.

Soms zag ik één ogenblik een wereld, die zich uitstrekte tot aan de beboste helling aan den overkant van de bevroren beek, en waaruit de rook traag omhoog steeg. Maar eindelijk, eindelijk zag ik toch in de verte de rode reuzen-ui op de spits van den kerktoren van Ratten!

Op den groten weg, dien we nu verder volgden, was veel vertier. Ik zag veel sleden, soms bespannen met een oud paard en soms zelfs met een oude vrouw; ginds liepen mensen, gebogen onder zware lasten die zó hard liepen met hun vrachtjes, dat ze alle anderen weldra achter zich lieten. En zie — daar had je ook al een troep muzikanten! Die hadden de kragen van hun jassen hoog opgetrokken en hun snorren zaten vol ijzel. Uit een zijpad kwam een troep houthakkers en dagloners, allen in hun Zondagse kleren. Die liepen langzaam, alsof ze helemaal geen haast hadden. Ze wisten immers wel, dat er plaats genoeg was in de herberg.

Op het kerkplein waren de kooplui al druk bezig, hun kramen op te bouwen. Van enkele stonden de geraamten al, maar verder was er nog niets anders te zien, dan kale planken.

Toen we het midden van ’t plein hadden bereikt, bleef Tresel opeens staan, alsof ze plotseling versteende. „Hè,” mompelde ze: „Wat is dat?” Was de standplaats op het drukste gedeelte van de kermis vlak naast de kerkdeur, waar zijzelf al sedert jaren haar kraam had gebouwd — werkelijk bezet? Ja — helaas! De jood Maisjel, algemeen bekend om de onbegrijpelijk lage prijzen, die hij voor zijn waren vroeg, was druk bezig, hier zijn kraam in orde te maken.

„Ik pak niets uit,” zei Tresel diep verontwaardigd maar toch héél trots, en ze hield zich alsof ze rechtsomkeert wou maken en het dorp den rug toedraaien. Maar — daar stond toevallig de waard van de „kerkherberg,” die de standplaatsen verhuurde, en die hield haar tegen. Hij zei, dat ’t hem heel erg speet, maar wat had hij anders kunnen doen,