is toegevoegd aan je favorieten.

Nienke van Hichtum vertelt weer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SCHIPBREUK.

IH.

Ze aten zonder een woord te zeggen. -

„Goed zo!” riep de Italiaanse matroos, die juist voorbij kwam hollen hen toe. „Straks gaan we dansen! Jullie zullen eens wat zien!”

En hü kreeg gelijk! De wind wakkerde meer en meer aan, en de boot begon geweldig te slingeren.

Maar de beide kinderen, die geen last van zeeziekte hadden, gaven er niets om.

Het meisje lachte. Ze was even oud als Mario, maar veel groter. Ook haar gezichtje was bruin, maar ze zag er een beetje lijdend uit en haar kleren maakten een armelijken indruk. Haar kort krullend haar werd bijna geheel bedekt door een roden hoofddoek en in haar oren droeg ze zilveren ringetjes.

Nadat ze gegeten hadden, vertelden ze elkaar hun geschiedenis. De jongen had geen ouders meer; zijn vader was kort geleden te Liverpool gestorven, en nu stuurde de Italiaanse consul hem terug naar Palermo, waar nog familie van hem woonde.

Het meisje was een jaar geleden met een tante, die weduwe was en veel van haar hield, meegegaan naar Londen. Haar ouders hadden toen hierin toegestemd omdat de tante beloofd had, het kind bij haar dood alles te zullen nalaten wat ze bezat, maar — de goede tante was een poosje geleden overreden door een omnibus en in ’t ziekenhuis gestorven.

En nu kwam het uit, dat van een erfenis geen sprake was. Nadat de begrafenis was betaald, bleek er geen cent over te zijn voor Giulietta, en ze had, op raad van goede vrienden, hulp gezocht bij den Italiaansen consul. Deze had haar, evenals Mario, toevertrouwd aan de zorgen van den ouden matroos, die hen zo even bij elkaar had gebracht. „Vader en Moeder hadden,” zei het kind bedroefd, „verwacht dat ik eenmaal rijk terug zou komen, maar inplaats daarvan ben ik arm en heb bijna geen kleren! Maar toch zullen ze wat blij zijn als ze me weer zien. En mijn broertjes dan! Ik heb er vier, moet je weten, allemaal nog klein. Ik ben de oudste van de vijf en nu kan ik de kleintjes ’s morgens weer helpen bij ’t aankleden. Wat zullen ze blij zijn als ze me zien!”

„Weet je, wat ik van plan ben? Ik zal heel, heel zachtjes binnenkomen en o, maar kijk toch eens, wat een hoge golven!”

„En jij?” vervolgde ze, „kom jij bij je familie in huis?”

„Ja /’ antwoordde Mario aarzelend, „als ze me namelijk willen

hebben.”