is toegevoegd aan je favorieten.

Nienke van Hichtum vertelt weer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PRINS PETER EN DE SCHONE MAGILENE Hl.

weer op en liep het bos verder in zo hard ze kon telkens zijn naam roepend,

„O mijn lieve man, mijn mooie Prins, waar ben je toch gebleven? Ik ben hier zo alleen en verlaten! Kom toch weerom! Peter, mijn lieve, lieve Peter!”

Nadat ze een helen tijd had gelopen, ontmoette ze eindelijk een vriendelijke non. De Prinses stelde haar voor, van kleren te verwisselen, omdat ze in het donkere nonnenkleed beter alleen naar ’t land van Prins Peters ouders zou kunnen reizen. In dit gewaad lette dan ook niemand op haar, toen ze in de eerste havenstad, die ze bereikte, een schip zocht, dat binnenkort naar Frankrijk onder zeil zou gaan.

’t Duurde niet lang of ze had er al een gevonden en zonder ongevallen kwam ze aan wal. Nu liep ze net zo lang door, tot ze aan de poort van een groot slot kwam. Ze klopte aan en werd liefdevol opgenomen door Gravin Suzanna, de kasteelvrouwe, wier man in den oorlog was. Ze was dus blij, wat gezelschap te hebben. Langzamerhand sloten de twee vrouwen vriendschap en Suzanna hielp Magilene met raad en daad bij de uitvoering van haar plan, om vlak aan ’t strand van de zee een klooster te stichten, gewijd aan de apostelen Petrus en Paulus.

Aan dit klooster was tevens een hospitaal verbonden voor zieke of gewonde vreemdelingen.

Het duurde niet lang, of de roem van de edelmoedigheid en toewijding van de stichtster ging door ’t gehele land.

Velen kwamen haar om raad en hulp vragen. Ja, eindelijk zelfs kreeg ze bezoek van de ouders van Prins Peter, die haar drie ringen lieten zien. „’t Is een vreemde geschiedenis met deze ringen,” zei Prins Voltsjvan. „Ik had ze namelijk geschonken aan mijn zoon Peter, bij zijn afreis naar ’t Hof te Napels. Na dien tijd echter hebben wij niets meer van hem vernomen. Dezer dagen echter kocht onze kok een grote vis — en zie, toen hij dien opensneed, vond hij deze drie ringen er in — dezelfde, die ik mijn zoon gaf bij zijn afscheid.

Wij kunnen nu niet anders, dan geloven dat onze zoon verdronken moet zijn, en in onze grote droefheid komen we tot U om troost!”

Magilene verried hun niet, wat zij van deze ringen wist. Ze troostte de bedroefde ouders alleen zo goed ze kon, en zei dat ze niet dadelijk alle hoop moesten opgeven.

„Blijft toch vertrouwen, dat Uw zoon ééns zal terugkeren,” zei ze