is toegevoegd aan je favorieten.

Nienke van Hichtum vertelt weer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJF IN EEN HANDSCHOEN

[V.

„Ik, Haasje-Springbaasje.”

„Heb je zin? Kom er dan maar in.”

Daar kwam het vrolijke „Vosje-Pak-me-als-je-kan” aangeslopen.

„Wie woont er in dit huis? Is er iemand binnen?”

„Ja, wij wonen hier: Spitssnuitje-Knabbelmuisje, Kikkertje-Wippertje, en Haas-Springbaasje. Wie staat daar voor de deur?”

„Ik ben Vosje-Pak-me-als-je-kan.”

„Kom maar binnen, dan krijgen we ’t meteen een beetje warmer.”

Vosje-Pak-me-als-je-kan glipte naar binnen, en ze leefden daar heel gezellig met z’n viertjes.

Daar kwam de Grijze Wolf aangesprongen: „Wie woont er in dit huis? Is er iemand binnen?”

„Ja, wij zijn thuis: Spitssnuitje-Knabbelmuisje, Kikkertje-Wippertje, Haasje Springbaasje en Vosje-Pak-me-als-je-kan. Wie staat daar voor de deur?”

„Ik, Wolf sluip door ’t bos.”

„Kom maar binnen, dan wordt het nóg gezelliger.”

De Grijze Wolf sluipt naar binnen, en ze leven heel gezellig met z’n vijfjes.

Daar komt de Beer aansjokken uit het donkere Woud — uit zijn donker hol.

Hij bromt en gromt een wijsje met zijn zware stem:

„Ik ben Michel Beer, heel sterk en groot

Vertrap alles onder mijn zware poot.

Wips — waps,

Slaps en taps! — Brom, Brom en Brom”.

Ze horen hem aankomen, en al luider en luider klinkt zijn brom-Iiedje. Al dichter en dichterbij komt de Grote Sterke Beer: „Wips en waps — slaps en taps; Brom-brom en Rom-bom-bom!”

O, wat schrikken die vijf in den handschoen — in den groten, groten handschoen van den groten, groten boer!

Wip, springen ze allemaal naar buiten — en foetsji weg zijn ze!

Het muisje verstopt zich in een gat, het Kikkertje springt in ’t moeras,