is toegevoegd aan uw favorieten.

Toen - en nu! : leesboek over de geschiedenis van het vaderland voor de christelijke scholen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sche leger is héél sterk . . . Och, als de soldaten van Lodewijk en Hendrik maar geuzen waren geweest, of Haarlemmers, of Alkmaarders, dappere mannen van Holland met moed in 't hart en kracht in de knuisten, dan zou 't wel anders zijn gegaan, maar — die Nassauers waren maar Duitsche huurlingen. Ze zagen wel, dat er niet veel te verdienen viel; ze begonnen te roepen om hun onbetaalde soldij, toen de vijand naderde. En 't ging juist als bij jemmingen: de Nassausche benden sloegen op de vlucht, 't Werd een smadelijke nederlaag.

Dat was erg; maar 't was het ergste niet.

Lodewijk en zijn veel jongere broer Hendrik hielden met enkele getrouwen stand. Wat baatte het? En toen — toen kwam een kogel; trof Lodewijks borst . . . Trouwe soldaten wilden hem helpen. Hij wees die hulp af. In 't wilde gewoel van den strijd verdwenen de broers; zij beiden te zamen . . . Men heeft hen nooit weergezien, niet levend, niet dood. Men heeft gezocht en gevraagd, dagenlang; men heeft het plekje, waar ze gesneuveld zijn, niet gevonden; men heeft hun doode lichamen onder de gesneuvelden niet herkend.

Arme moeder! Arme Prins. Arm volk van Nederland! Twee zoons, twee broers, twee helden verloren op één dag! ....

De Prins schreef een brief aan zijn moeder. Die moeder schreef terug aan haar zoon. Die brieven zijn vol verdriet, maar ook — vol vertrouwen op Ood. „Laat ons geduldig dragen, wat ons uit Zijne hand toekomt!" Zoo schrijven zij beiden.

En al verscheurde verdriet 's Prinsen hart, — hij werkte zijn stille werk. Aan Leiden, dadelijk, zond hij zijn boodschap: „Snel, koop voedsel, koop het in groote hoeveelheid, want de Spaansche troepen kunnen terugkeeren en u opnieuw insluiten!"

Zorgelooze Leidenaars! ... Ze deden het niet. Ze dachten: „Weineen, de Spanjaard is weg, en blijft weg."

Maar ....

Op een mooien morgen in Mei kwamen boeren in grooten haast de stad binnenvluchten: „De Spekken! De Spekken!" . . . Toen was het te laat.