is toegevoegd aan uw favorieten.

De mythen van Griekenland en Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XVII. SOMNUS EN MORS. Het hol van den Slaap.

DE ouden meenden, dat men, na de vreugdelooze streken van het rijk van Pluto te hebben verlaten, en na den gelijkmatigen loop der rivier de Lethe te hebben gevolgd, een breed hol bereikte in een ver afgelegen en rustige vallei. Dat hol was de woonplaats van Somnus (of Hupnos), den god van den slaap, en van zijn tweelingsbroeder Mors (of Thanatos), den god van den dood; beiden waren zonen van de Godin van den Nacht, die eertijds over het geheele heelal had geheerscht. In de onmiddellijke nabijheid van den ingang hielden schimmen voortdurend de wacht, terwijl zij zachtkens groote bossen papavers schudden en, met hun vingers aan de lippen, stilte eischten van ieder, die in de nabijheid kwam. Die schimmen waren de genii van den slaap en den dood, die in de kunst werden voorgesteld gekroond met papavers en amaranten, en dikwijls ook met een urn of een omgekeerde toorts in de hand.

Het hol was in verschillende vertrekken verdeeld, waarvan ieder volgend vertrek donkerder en stiller was dan het voorafgaande. In één der binnenste vertrekken, dat geheel bekleed was met donkere gordijnen, stond een zachte rustbank, waarop de vorst van den slaap rustte. Zijn kleeren waren eveneens zwart, maar bedekt met gouden sterren. Op zijn hoofd droeg hij een kroon van papavers en hij hield een beker vol met papaversap in zijn loome hand. Zijn slaperig hoofd werd gesteund door Morpheus, zijn voornaamsten dienaar, die voortdurend over zijn langdurigen slaap toezicht hield, en iedereen belette, zijn slaap te verstoren.

„Diep in een hol verblijft de God des slaaps,

Wiens somber oord de zon bij 'top- of ondergaan Vermijdt, en evenzeer de helderlichte maan.

Maar trage dampen dekken heind en ver 't verschiet, Een eeuw'ge schemering, lucht die men nauwlijks ziet.

Geen vleugels spreidt daar 's morgens kraaiend uit de haan, Of kondigt 't eerste gloren van het daglicht aan: