is toegevoegd aan uw favorieten.

De mythen van Griekenland en Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Juno was in dien tusschentijd niet stil gebleven, en verheugde zich in de gevaren, waaraan zij de ongelukkige Trojanen had blootgesteld gedurende de zeven jaren, die reeds waren voorbijgegaan sedert zij uit Troje waren vertrokken. Nog was zij niet tevreden met hun vervolging; en zoodra zij zag, dat zij weer goed en wel op zee waren, spoedde zij zich naar Aeolus, en beval hem zijn meest woeste kinderen los te laten en de vloot door een vreeselijken storm te verstrooien.

„O Aeolus! Nu aller god

De winden dwingt, naar uw gebod

Te woeden of weer te bedaren:

Er vaart een volk thans op de baren,

Door mij gehaat, dat zijn Penaten

Het oude Troje doet verlaten;

Laat los uw winden, zweep ze voort,

Dat zij vernielen want en boord." Virgihus.

Dit verzoek werd onmiddellijk ingewilligd. De heen en weer geslingerde schepen verloren elkander uit het gezicht. Sommige strandden, andere zonken, en nog altijd woedde de storm met onverminderde kracht, zoodat de dood de ongelukkige Trojanen aanstaarde. De beweging van het water deed ten slotte Neptunus uit de diepte verrijzen; deze kwam juist tijdig genoeg aan de oppervlakte, om al de ellende te zien, waardoor Aeneas werd geteisterd. Gebiedend beval hij de winden terug te keeren, terwijl hij zelf de helpende hand bood, om de gestrande schepen weer vlot te maken.

„Gaat ijlings naar uw meester heen,

En zegt hem, dat aan mij alleen

De drietand van den Oceaan

Door 't blinde lot is afgestaan." Virgilius.

De Trojanen, dankbaar voor zijn tijdige hulp en bemoedigd door de kalmte aan de oppervlakte der zee, wendden het roer naar de meest nabijzijnde haven, waar zij met hun zeven schepen ankerden, het laatste wat van hun eertijds groote vloot was overgebleven.

Aeneas en Achates, zijn trouwe vriend, gingen onmid-