is toegevoegd aan je favorieten.

De roep van de zee

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Kom jö!" kwam Krijn, die meelijden met Henk kreeg. „Trek het je zoo niet aan! Vader meent het niet zoo erg als hij zegt. Als zijn hoofdpijn over is, praat hij wel anders. En Moeder is er toch ook nog!"

Doch Henk liet zich niet opmonteren.

Krijn had goed praten. Die ging in het voorjaar op het timmeren, die kreeg zijn zin. Maar hij mocht niet naar zee, hij moest metselaar worden! Dat hadden die twee ooms samen wel klaargemaakt. Tante zou zeker haar best voor hem doen, maar wat kon Tante alleen tegen die twee?

Hij maakte gauw, dat hij naar boven kwam om nog wat voor de les van straks na te kijken.

Maar hij kon zijn gedachten niet bij zijn Engelsche woordjes houden en zat meest voor zich uit te staren.

„Moed houden, hoor Henk!" zei Tante hartelijk, toen hij tegen achten, met zijn boeken onder den arm, door het winkeltje kwam.

En meewarig met haar hoofd schuddend keek de goeie vrouw, die van Krijn alles wist, van achter haar toonbank den jongen na.

Echt zielig ging hij dan ook naar school.

Al zijn leeren, waardoor hij dè man kon worden, als hij naar zee ging, wat had hij eraan bij den steenhoop en aan den kalktrog?

Op de les, waar hij anders altijd een van de pientersten was, schoot hij nu den eenen bok na den anderen.

De Meester, die toch al gemerkt had, dat er aan Henk wat scheelde, liet hem nablijven.

Het deed Henk goed, dat hij zijn hart eens kon uitstorten. Doch troost kreeg hij van den Meester niet veel.

„Ja!" zei die, toen Henk alles verteld had, met een bedenkelijk gezicht. „Wanneer je bij het varen als kajuitsjongen