is toegevoegd aan je favorieten.

Met Robinson Crusoe tien jaar op reis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het heele eiland gerezen is, want overal, vooral in het Westelijk gedeelte, is de kust hooger en het strand smaller geworden."

Met verbazing hoorde Robinson deze tijding aan, en terstond besloot hij naar boord terug te keeren om er met Kapitein William over te spreken.

Zij stonden allen nieuwsgierig uit te kijken toen Robinson weer terugkwam.

Wat werd er gevraagd en nog eens gevraagd aan de mannen, die de boot naar den wal hadden geroeid!

Ze konden evenwel niet veel vertellen, want het fort hadden ze niet gezien. Ze waren op het strand gebleven en hadden daar kennis gemaakt met vijf Engelsche matrozen, die er nu al zeven jaar gewoond hadden, als eerzame Kolonisten, die een heerlijk lui leventje konden leidden en alleen maar verschrikkelijk slecht in de kleeren staken.

Terwijl het volk zoo op het dek tegen elkander sprak, was Oom Robinson bij Kapitein William in de hut gegaan.

„Wel, Oom, alles is in orde bevonden?" vroeg Kapitein William.

„Ja, jongen, alles! Het was me, of ik nog nooit van het eiland af geweest was. Ik heb in mijn fort op den stoel gezeten, dien ik zelf eenmaal maakte. Ik heb gerookt uit mijne oude pijp, die ik zelf eenmaal met zooveel moeite bakte en op het eiland achterliet. Ik heb wijn, dien ik nog geperst heb, gedronken uit een' steenen kroes, dien ik heb gebakken. Heerlijk! Heerlijk! Morgen zult gij u van alles kunnen overtuigen. Nu, vindt gij het niet goed, dat uw gezicht zoo betrekt?"

„Neen, Oom, ik vind het verkeerd, en liever lichtte ik vandaag nog dan morgen de ankers. Het is hier een zeer gevaarlijk water, Oom! Als dat het geval niet was, dan zoudt ge niet zooveel jaren achtereen vruchteloos naar een schip hebben uitgezien. Terwijl u op het eiland was, heb ik de kaarten en de zeevaartkundige boeken nauwkeurig geraadpleegd en bevonden, dat dit eiland in eene zee ligt, waar de stormen schijnen te ontstaan. En die stormen, Oom, ze zullen niet lang meer wegblijven, want over een dag of vier vijf begint de kwade mousson, en het is de vraag of we met zulk eene lichte koelte, als we nu hebben, dan wel ver genoeg van dit eiland en uit deze zee zijn."

„Dat wist je toch een paar dagen geleden ook al, niet?"

„Zeker, Oom, en daarom heb ik toen al besloten u een voorstel te doen."

„Ei! En mag ik weten welk? "

„Om vandaag nog alles te lossen, wat ge voor de Kolonisten medegenomen hebt. U zelf zou dan met Herman en nog een paar anderen aan den wal kunnen gaan. Voor Herman is dat hard noodig, want de jongen heeft alweer eene ijlkoorts; ik vrees voor hem, dat hij er aan heengaat. Ik zou dan naar Jamaica gaan om waarlooze rondhouten, blokken, zeilen en nog veel meer aanboord te nemen. Wij hebben heel wat verspeeld, Oom! Verder wilde ik nog zien, of we daar op Jamaica nog niet wat volk kunnen aanmonsteren, want ook dat hebben we meer dan noodig. Ik zou u dan over drie of vier maanden komen afhalen om de reis verder voort te zetten. Hoe vindt u dat plan?"

„Niet goed, William! We moeten liever hier eene maand of drie blijven!"

„Hier blijven, Oom? Hier? Maar kom, dat kan u niet meenen! Eén flinke -storm maar en wij worden van de ankers geslagen en op de riffen geworpen."