is toegevoegd aan je favorieten.

De wijde, wijde wereld

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar ge hebt het te druk met van Van Brunt te weten te komen wat er in huis voorvalt. Noemt ge dat in elkaar zetten om af te wasschen? Wees nu eens zoo goed en krab elk bord schoon af en zet ze dan netjes op een stapel, en doe de thee uit de kopjes en schoteltjes en zet ze afzonderlijk. — Nu! waarom houdt ge ze zoo wonderlijk vast? Zijt ge bang dat ge u zult branden?"

„Ik houd er niet van dingen aan te raken, waaruit anderen gedronken hebben," zeide Ellen, die de kopjes en schoteltjes werkelijk heel voorzichtig met de toppen harer vingers aanvatte."

„Luister eens," zeide Juffrouw Fortuna — „laat ik dat niet meer hooren, of ik verzeker u, dat ik u iets zal te

doen geven wat u niet zal bevallen. Leg nu de lepels hier en de messen en vorken daar bij elkaar en breng het zoutvaatje, de peperbus, de boter en de suiker naar de provisiekamer."

„Ik weet niet waar ik ze zetten moet," zeide Ellen.

„Kom dan maar mee, dan zal ik het

u wijzen, 't is tijd dat ge het leert. Ik ben zeker, dat ge u beter zult gevoelen, als ge wat te doen hebt en ge zult werk in overvloed hebben. Daar — zet dat in de kast — en doe het brood in deze doos, ziet ge? Laat ik het u niet tweemaal behoeven te zeggen."

Dit was Ellen's eerste intrede in de provisiekamer; vroeger had ze er nooit in durven komen. Het was een langwerpige kast of kamertje; aan den linkerkant en het uiteinde tot aan de zoldering met schappen voorzien. Op deze schappen stonden een menigte groote tinnen en aarden pannen en schotels vol melk en de meeste er van bedekt met heerlijken gelen room. In het midden was het raam, waarvoor Juffrouw Fortuna gewoonlijk haar melk roomde en terzijde daarvan kwam de mond van een houten pijp of een dichte goot uit, waardoor de afgeroomde melk naar een groot vat liep, dat bij de deur van de achterkeuken stond en waaruit ze geschept werd als ze voor de varkens noodig was. Achter het raam van de provisiekamer en op de bovenste schappen lagen rijen gele

kazen, op zijn minst veertig of vijftig. Rechts van de deur was een kast met een rij schappen, waarop allerlei tafelgereedschap en eetwaren stonden. De vloer en de schappen wairen met dikke gele verf beschilderd, hard en glimmend en kraakzindelijk en er was een lekkere zuivelgeur.

Ellen merkte dat alles niet in één keer op, maar in den loop van een dag of twee, gedurende welke zij menig bezoek in de provisiekamer bracht. Juffrouw Fortuna hield woord en gaf haar volop werk; Ellen had nu een zeer bedrijvig leven. Zij vond dit echter allesbehalve prettig, van dat soort werk had zij nooit gehouden, maar ongetwijfeld was het een goede ruil voor het ellendige, droomerige leven, dat zij in den laaitsten tijd geleid had. Alles was beter dan dat. Eéne zaak evenwel drukte met loodzwaar cewicht od Ellen's creest

— hare verwaarloosde studie en de verkwiste tijd, want zij beschouwde dien niet anders dan verloren.

„Wat moet ik doen?" zeide zij bij zichzelve, nadat eenige dagen op die wijze waren voorbijgegaan; „ik voer niets uit ik leer niets — ik zal weldra alles wat ik geleerd heb vergeten zijn. Op die manier zal ik nooit iets meer weten dan de menschen om mij en wat zal Mama zeggen? Nu, als ik niet naar school kaïn gaan, dan weet ik wat ik doen zal," zeide zij, opeens een besluit nemende, „ik zal mijzelve onderwijzen! Ik wil zien wat ik kan doen; het zal toch in elk geval beter zijn dan niets. Vandaag nog begin ik er mede!"

Met nieuwen moed bezield lien Fllen

de trap op naar hare kamer en begon terstond alles uit haar koffer te pakken om hare boeken te krijgen. Deze waren neel op den bodem en voor zij ze bereikt had was de grond half bedekt met de verschillende artikelen van hare garderobe; zonder zich in haar eersten ijver daarover veel te bekommeren, greep Ellen naar hare boeken.

„Zijt ge daar, mijn lieve Numa Pompilius," zeide zij, een klein Fransch boekje uit haren koffer nemende, waaruit zij juist was begonnen te lezen, „en hier heb ik mijn taalboek en mijn dictionaire, — en hier miijn geschiedenisboek, — blij dat ik u weer zie, me-

De wjjde, wijde Wereld.

4