is toegevoegd aan je favorieten.

Het gulden sprookjesboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schoenlapper die gewoon was bij het aanlichten van den dag, vóór iemand anders, zijn werk te beginnen, gaf hem een goudstuk als handgeld, en verzocht hem zijn gereedschap te nemen en haar aanstonds te volgen, maar haar toe te staan dat zij hem eerst blinddoekte. De schoenlapper stribbelde eerst wat tegen. Maar een tweede goudstuk deed hem toegeven. En Margiana bracht hem geblinddoekt naar Kassim's huis, en nam hem den doek eerst van de oogen in de kamer waar het gevierendeelde lichaam lag, dat zij hem gebood aaneen te naaien, hem nog een derde goudstuk belovende voor het handig verrichten van dat werk. Toen hij er naar haar genoegen mee klaar was, deed zij hem weer den blinddoek om, en br&cht hem terug naar zijn winkel.

Nu liet zij den Imam en de dienaren der moskee roepen om den doode te begraven. En blootshoofds achter de kist gaande, volgde zij die onder luide klachten, en terwijl zij zich heftig op de borst sloeg en de haren uitrukte, naar het kerkhof, terwijl de weduw thuis rouw bedreef, groot misbaar makend met jammeren en krijten te midden van al de eveneens krijtende en jammerende vrouwen uit de buurt. Eenige dagen later bracht Ali Baba zijn weinige huisraad, en heimelijk in den nacht, zijn zakken vol goud over naar haar woning, en liet zich met haar als met zijne tweede vrouw verbinden. Zijn oudste zoon Abdallah, vestigde zich als koopman in den winkel die aan Kassim had toebehoord. Op die wijze ging alles zoo als het bij een sterfgeval pleegt te gaan, en niemand in de stad kreeg ook maar het minste vermoeden van iets ongewoons.

Onderwijl hadden de roovers weer een strooptocht gehouden en als gewoonlijk de bergplaats van hun buit opgezocht. Niet weinig ontsteld waren zij Kassims lijk niet meer te vinden, noch de deelen die zij vóór, noch zelfs de anderen, die zij achter de rotsdeur hadden neergelegd. En hun schrik en toorn stegen, toen zij hun schat monsterend, bevonden dat verscheiden zakken goud ontbraken. Zij begrepen dat minstens twee van hun geheim en tooverspreuk wisten en dat het lijk van den een, dien zij verrast en gedood hadden, weggevoerd was door diens metgezel, die tegelijk zich de zakken goud had toegeëigend. Om zijn spoor te vinden, begaf een van de roovers, als reizend koopman verkleed, zich op staanden voet naar de stad, waar hij hier en daar wilde luisteren en rondvragen of men er niet sprak van een op zonderlinge wijs omgekomen man, wiens naam en woonplaats hi] dan wel zou weten uit te vorschen, tegelijk met al het verdere.

Met het aanlichten van den dag de poort binnengaande, vond de roover nog niemand op en aan het werk, behalve op een plein een oud schoenlappertje, dat in het schemerige licht al zat te naaien. Verwonderd vroeg hij den man wat hij, met zijn oude oogen, bi] zulk licht kon zien te arbeiden ? En de schoenlapper antwoordde vergenoegd, dat hij, oud als hij was, nog zien kon als de beste en dat wel bewezen had