is toegevoegd aan je favorieten.

Het gulden sprookjesboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen zij veilig en wel op hooge zee waren, nam het Bokkenmeisje de prinses den kalfskop af, en zette haar haar eigen mooie hoofd weer op. En dat zat, of het er nooit af was geweest.

Nu wilde het Bokkenmeisje de beide koningszonen vinden wien de heksen de rechterhand en de linkerhand hadden afgenomen. Zij riep alle winden :

„Kom, welke van de vier het is, en blaas ons naar het land van de beide koningszoons!" De Oostenwind kwam, en blies dat de zeilen bol stonden. Zij zeilden een dag en een nacht, toen kwamen zij aan het land van de twee prinsen.

De Koning hun vader stond op den uitkijk, op den hoogsten toren van zijn kasteel. En toen hij het vreemde schip zag binnenloopen, zond hij dadelijk boden te paard uit om te vragen waar het van daan kwam, en of er soms iemand aan boord was, die zijn zoons kon genezen, want de eene had in plaats van de rechterhand een berenklauw, en de andere in plaats van de linkerhand den vleugel van een raaf.

De boden kwamen aan het strand en zagen het Bokkenmeisje rondrijden op het dek, dat haar zwarte haren fladderden op den wind. Dat leek hun wonderlijk, en zij vroegen of er niemand anders aan boord was.

„O ja, er is nog iemand anders aan boord. Als de koning en zijn twee zoons hier willen komen, dan zullen zij wel zien wie."

De boden dachten dat het misschien iemand was die de prinsen zou kunnen genezen. En dat vroegen zij aan het Bokkenmeisje. Maar die wilde niet antwoorden.

„Dat zal ik aan niemand zeggen dan aan den koning en zijn twee zoons zelf."

En zij galoppeerde op haar bok in het rond dat het geheele dek er van daverde. De boden reden terug naar het kasteel en verhaalden den koning wat zij gezien en gehoord hadden. Toen reed de koning met zijn beide zoons naar het schip.

De prins die den berenklauw had in plaats van een rechterhand, kwam het eerst aan boord. Het Bokkenmeisje vatte hem bij den klauw, trok ze af, en voegde de rechterhand aan den pols. Daar zat ze weer zoo als ze er altijd gezeten had.

De tweede die aan boord kwam, was de prins met den ravenvleugel in plaats van de linkerhand. Het Bokkenmeisje greep hem bij den vleugel, knakte hem af en paste de linkerhand aan den pols. Daar zat ze of zij er van zijn leven niet af was geweest. Nu kwam de koning aan boord. En hij wist niet wat hij doen zou om het Bokkenmeisje te danken en haar eer te bewijzen. Hij wilde dat zij op zijn kasteel zou komen en van alle schatten en kostbaarheden die hij bezat, het allerheerlijkste zou uitkiezen. Het Bokkenmeisje zei:

„Goed, als mijn pleegzustertje, de prinses, mee gaat."

Nu kwam ook de prinses aan dek, en allen te samen reden zij naar het kasteel van den koning en vierden vroolijk feest.