Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De paddie rijpte....

Nóg waren de halmen groen, maar zij bogen al hun zware aren naar den grond. Roeki had zich een klein tentje gebouwd: een vloertje van gevlochten bamboe, hóóg op palen, een dakje van een ouden lap. Daar lag hij lang uit, op zijn rug. Van een rijsthalm had hij een fluitje gemaakt. Het gaf maar één noot: Tuut! Tuut! Maar dat vond Roeki genoeg. Onafgebroken blies hij: Tuut! Tüütü Een schril geluidje in den wijden stillen dag.

Uit het tentje was een kunstig net van dunne witte draden gespannen over het heele rijstveld. Aan die draden waren bonte stukjes doek gebonden en telkens als een troep schetterende rijstdiefjes neer wou strijken bewoog Roeki dit dradenwerk heen en weer, dat de lappen zwaaiden en de vogeltjes verschrikt afzwenkten. Roeki bewoog de draden met zijn grooten teen, waar hij een lus omheen gestrikt had. Dat was heel gemakkelijk. Als hij het niet zóó deed, moest hij de draden in zijn hand houden en dan zou hij den heelen dag moeten zitten. En dat heeft toch geen nut, als je ook liggen kunt! Het is véél beter om te liggen en zoo te fluiten: Tuut! Tüüt!.... Den heelen dag door.

Hij kon dan ook naar den hemel kijken. Naar de groote, langzaam voorbij drijvende wolken, heel hoog boven hun schaduwen, die over het land schoven. Soms

Sluiten