Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

douwen telkens, dan tegen zijn gezicht, dan tegen zijn schouders, voortdurend hoonend:

„Wat wil je met een vrouw?.... Wat wil je met een vrouw?.... Anderen zijn vijf jaren hier.... zeven jaren.... en hebben nóg geen vrouw. Wat denk je....

jij hondenjong dat je maar direct een .vrouw

krijgt?.... Nog tienmaal een jaar zul je wachten, tot je een vrouw krijgt, jij meidekind! Aap! Hond! Karbouw! .... Jij rongengkind! Jij, haram-djadah!!...."

Donker keek Noer op bij dat laatste, ergste scheldwoord. Achter zijn oogen broeide haat. Maar de hoofdmandoer duwde zijn gezicht neer.

„Pigü.... En gauw een beetje.... of ik ransel je in mekaar, begrepen?.... Kijk om je heen.... Nog dertig mannen zitten hier op een vrouw te wachten.... zie je ?.... En in de pondoks zijn er nog drie honderd..."

Noer antwoordde niet. De hoofdmandoer sloeg hem in zijn gezicht.

„Zie je?" schreeuwde hij.

„Saja...."

„En kijk nu naar de nieuwe koelies. Hoeveel vrouwen zijn er nog?...." „Nog een," zei Noer kort.

„Als dat zoo is.... ga dan naar huis. Ajo.... pigü"

Mokkend stond Noer op, nam wrevelig zijn tjankol over zijn schouder en verdween in den al duisterder wordenden schemer.

Roeki had dit alles angstig gadegeslagen. Er was nog maar een vrouw over, Karminah. Zij werd aan een ouden Javaan gegeven, aan Marto, een koelie van afdeeling Eén.

„Ajo, ikoet.... volg hem."

De hoofdmandoer stootte haar aan. Ze weifelde, keek tersluiks naar Roeki.

„Waarom moet zij met Marto mee, Pi?"

Sluiten