Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een kind schreide gierend, begon dan te gillen. Een vrouw schold hoog daar boven uit.

„Ajo.... slapen...." Een mandoer joeg hen naar hun kamers.

Roeki had een boedjangkamer; een kamer met vijf andere jonggezellen.... Het was een klein, vierkant hokje. Vier ruwe wanden, een stoffige, leemen vloer. Stof en roet hing aan de muren, aan de kale, nauw geschaafde planken en balken. Er stonden alleen zes smalle baleh-baleh's. Op vijf daarvan lag een tikar.

„Heb jij nog geen tikar?" vroeg een der koehes aan Roeki.

„Nee...."

„En geen kussen?"

„Nee...."

„Over tien dagen is het uitbetaaldag, dan kun je alles koopen. Er is hier in de pondok een chineeschekedeh, daar kun je het koopen."

„Ja...."

Er bleef een lampje branden. Donker kroop de schaduw door het kamertje, wég van het zielig lichtkransje rondom het kleine blikken lampje. Ratten renden over het dak, in dolle jacht, paarden zich, piepend en rumoerend.

„Waar is Kromoredjo?" hoorde Roeki in het donker vragen.

Er werd gegrinnikt. Toen zei iemand:

„Hij komt dadehjk. Hij is Isah gaan halen."

„Slaapt zij vannacht met hem?"

„Ja. Hij heeft immers nog geld. Hij heeft gewonnen met dobbelen, den laatsten hari besar— ."

Het houten deurtje werd voorzichtig op een kier opengedaan. Twee figuren slipten binnen. Onderdrukt

tikar — mat.

Sluiten