Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Pas op, daar komt de toewan!" waarschuwde Kromoredjo, haastig zich bukkend over zijn werk, zijn verbonden voet verbergend.

De assistent ging langs hen. Achter hem aan de mandoer.

„Als de regen losbreekt moeten de koehes naar de pondok," hoorden zij den toewan zeggen. „Saja toewan," antwoordde de mandoer. Vlak over het bosch werd de hemel een zwart-grijze massa. De hitte was ondragelijk, spietste neer als gloeiende pijlen. Toen zig-zagde weer een roode vuurstraal uit den neerzakkenden hemel. Een hevige slag dreunde rommelend. Dan siste een knetterende vlam van de lucht neer, spleet de kroon van een machtigen boom in het oerbosch. Het krakend scheuren van het hout mengde zich in den roffelenden donder, die uit het diepste ingewand van het woud dof-donkere echo's opriep. Als grommende golven braken die geluiden over de aarde. En wéér, sneller dan te voren, sneed een hchtstraal door het grauw. Het werd duister als viel een plotselinge, onheil aanbrengende avond in. Er was geen ander geluid meer dan de woedende donder, die zóó de aarde geeselde, zóó op haar neerbeukte, dat zij te beven leek tot in baar diepste lagen.

Door dat dreigend gerommel klonk dan het bevel:

„Naar huis ! Ajol Naar de pondok 1"

Bevrijd hieven de koehes hun werktuig over den schouder. Joelend kwamen hun stemmen los als van kinderen, die opeens uit school worden vrijgelaten. Langs den aanplant groeide wat jong bosch. Zij plukten er groote pisangblaren en wie een baadje aanhad, deed dat uit, rolde het tot een bundeltje en legde het op zijn hoofd. Dan hielden zij het breede blad beschuttend boven zich.

Om hen heen sloeg de bliksem neer. Steeds sneller

Sluiten