Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXI.

EEN BEDEVAART NAAR DEN MARAPALM.

Twee maanden verliepen er, voordat Krieger van het ziekbed kon opstaan. Droeg zijn uiterlijk de onmiskenbare sporen van veel doorgestaan leed, het vuur dat uit zijne oogen straalde getuigde voor het behoud van zijn gewone geestkracht. Wat beteekende ook bloedverlies en lichaamsfoltering bij de zelfvoldoening van iets goeds verricht te hebben? Stierf hij geen schoonen, voor den soldaat natuurlijken dood; stierf hij niet als overwinnaar, in het volle bewustzijn van zijn plicht betracht te hebben? Zijn geweten was in rust. Zijne kinderen .... 't is waar, hij zou ze gaarne teruggezien hebben ; maar als dit niet mocht, dan liet hij hun toch het schoonste erfdeel na: een onbevlekten naam, de herinnering aan een vader, wiens leven onberispelijk, wiens dood benijdenswaardig was. Onverzorgd zouden de weezen immers niet zijn. Zijn vriend, de generaal Snouckaert van Schauburg, vervulde nu reeds zijn plaats als vader, en koning Willem zou als voogd optreden. Die troostrijke gedachte was Krieger in de heetste koortsen bijgebleven en droeg veel tot zijne genezing bij. Eenmaal weer ter been, bevorderde hij die door lichaamsoefeningen.

Reeds den 2** November (1832) steeg hij weder te paard en reed, vergezeld van eenige kavalleristen, over Boekit Pau naar Boea. Bij het hoofd dier plaats rustte hij één dag uit en gevoelde zich toen weer in staat om verder te trekken. De tweede kompagnie

Sluiten