Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ongeloovige honden! Zij vluchten, zij durven niet, deonreinen! Vooruit! geen enkele zal er ontkomen. God is groot! de blanken hebben geen buskruit meer, zij kunnen niet meer schieten, vooruit!"

„Opgepast, jagers! waarschuwt Krieger, als de voorvechters tot op vijftien, tot op tien passen genaderd, en er reeds een paar soldaten door kogels getroffen zijn. „Toont nu dat ge exerceeren hebt geleerd! Kolonne - halt! — Front! — Twee gelederen vuur — chargeert!"

Ze hadden exerceeren geleerd, die jagers van Krieger, en toch geleek het twee-gelederen-vuur veel op een pelotonsvuur. Doch het was hun ditmaal te vergeven, èn omdat zij de lust tot vuren zoolang hadden moeten bedwingen, èn omdat de uitwerking van het vuur zoo prachtig was.

Tachtig buksen toch brandden gelijktijdig los, en tachtig Padries vallen als door den bliksem getroffen. Zóó groot is de schok, dat de dichte drom als door een windhoos overvallen, uit elkander stuift!

I)e jagers kunnen een kreet van blijdschap niet onderdrukken; zij halen vrijer adem en stellen meer dan ooit vertrouwen op het beleid van hun chef.

„Stilte! zegt deze; „laadt spoedig de geweren! — Als de muitelingen thans doorliepen en met gevelde lans aanvielen, had er niemand meer een schot. — Bedaarder dus in het vervolg!"

Dadelijk wordt de marsch hervat en de versperring bereikt. De vijand, van den schrik bekomen, heeft zich hersteld en rukt weder vooruit; maar een tweede salvo duchtende, blijft hij op eerbiedigen afstand. Van de overwinning is hij toch zeker, want op den top van den berg dien de kolonne moet bestijgen als zij zich door de versperring heeft heengewerkt, wacht haar een andere vijandelijke afdeeling op, de mannen der VII Loerah, ook tot de tanden gewapend, ook Allah tot getuige roepende van de heldendaden die zij verrichten zullen.

Sluiten