Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De controleur zanikt als een oud wijf, en Oei-Tamba is een flinke vent. De kerel gaf verleden week nog een mooie partij. Apropos! ge moet een voorstel doen om Jacob Kloek toe te voegen aan het residentie-bureau op honderd gulden 's maands. Is 't nu eindelijk uit? Ik wacht u met mevrouw van middag aan tafel. (Lezende) — Het huis van Goudsmit is op de flesch; daar zat ik ook in, ik weet niet voor hoeveel. Nu, dat komt terecht."

De secretaris heeft met een buiging de uitnoodiging aangenomen, blijft het antwoord schuldig op de Bataviasche nieuwtjes; doch deelt den resident mede, dat zich buiten op het erf honderdvijftig dessa-bewoners bevinden om klachten in te dienen over afzetterij van den loerah (dessahoofd) die hen reeds tweemalen den aanslag heeft laten betalen, en dien nu voor de derde maal eischt."

„Wel verd.... wat zegt ge daar? Durven die kerels hier aan het bureau komen? De wereld staat op haar hoofd, geloof ik. Tot straf zullen vijf-en-zeventig man vier dagen lang op mijn erf werken. — Mijn vrouw heeft me al lang gesproken van een koepeltje aan den rivierkant; dat is een goede gelegenheid — en die dan nog pruttelt, laat ik tot nader order in 't kettinghok opsluiten. — Ik houd niet van te veel inmenging in de inlandsche huishouding; daarom moet gij den loerah eens bij u laten komen en hem zeggen dat ik geen last meer van zijn volk wil hebben. — Blijft ge ontbijten ?"

,,'t Was postdag; de stukken, die den resident thans ter teekening werden aangeboden, moesten nog geëxpedieerd worden en daarom bedankte de secretaris.

Het ontbijt stond gereed in de steenen pandopo achter het residentiehuis. Behalve Jacob Kloek zaten er nog drie logeergasten aan, Van mevrouw Perwis, nog van het overige gezin was iets te zien.

Op een groot bord vol drooggekookte rijst voegde de resident eenige schijven gerookte ham, een gepofte kip, vijf stokjes saté.

Sluiten