Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Kunt gij mij tot den heer resident brengen?"

,.Ja oude vriend !" ik kan het."

„Heden nog?"

„Dadelijk."

Aan de trappen der voorgalerij zaten eenige inlanders neêrgehurkt. Een der wedono's pajong stak boven dat groepje uit.

Steenman ging het distriktshoofd voorbij, belette Krosmosmito voor den Wedono neer te hurken, ondersteunde hem bij het opgaan der vijf of zes trappen, en bracht hem in zijn bureau.

„Zeg mij thans, Kromosmito, waarom gij den resident wildet ontmoeten."

De oude had zich op de mat neêrgezet en hield de oogen gevestigd op den gouden pajong, die in een hoek van het ruime vertrek in een standaard stond. Verlegen stamelde hij:

„Gij hebt beloofd mij tot den heer resident te brengen."

„Welnu, ik heb woord gehouden."

Vol verbazing staarde Kromosmito den resident aan, bracht toen zijne handen naar het voorhoofd om den nederigen groet te volbrengen, en vroeg vergiffenis. Verscheidene malen in zijn leven had hij residenten gezien, maar steeds omringd van een drom inlandsche hoofden, steeds met den blinkenden gouden band om het hoofd. Dagen vooruit was 't dan in de dessa bekend gemaakt dat de heer resident zou' komen; eerebogen van kalapa-bladen vervaardigd waren dan langs den weg opgericht, op de velden werd dan niet gearbeid, maar den gammelang geslagen. En hier — die goede, eenvoudige man die hem ondersteund had, die met een vriendelijken glimlach op het gelaat daarvoor hem zat en als een broeder met hem sprak, die man was de heer resident!! — Kromosmito stond versteld.

„Gij hebt wèlgedaan tot mij te komen, Kromosmito! Die u gezegd heeft dat ik de vader van den Javaan ben, sprak de waar-

Sluiten