Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Spreek, Verkest!"

„Of u aan den burgemeester van Nieuwvliet wilt schrijven, hoe ik hier gebleven en als een goed soldaat voor mijn vaderland gestorven ben. Dat zal mijn familie en kennissen daar genoegen doen, en dan zal men nog eens met eere aan mij kunnen denken ..

Hier stokte zijn stem een oogenblik, en werden zijn oogen vochtig.

„Want", ging hij weêr op bedaarden toon voort, „want toen ik wegging» majoor! was 't niet alles in orde met mij; ik was een beetje in den wind; zoodat ze daar wel eens gedacht zullen hebben dat 't met mij niet goed zou afloopen. Als men nu hoort, dat ik opgepast heb en de chefs over Verkest tevreden waren, dan zullen de menschen in het dorp mijn naam in eerlijke herinnering houden."

„Ik beloof 'tu, Verkest! als gij sterft, zal ik alles goeds van u aan den burgemeester schrijven."

„Nu majoor! dan ga ik gerust heen. Groet mevrouw en de kinderen nog eens voor me, en bedank mevrouw voor haar belangstelling —■ en voor het vele goede dat zij mij bewees. God zegene u en uw gezin!"

Al hetgeen Verkest had gezegd, was wel op ernstigen, maar tevens op den natuurlijksten toon en met groote kalmte gesproken. En toch, toen hij zweeg en van vermoeidheid de oogen sloot, hoorde men niets dan het snikken der jonge soldaten. Ook de ouderen konden hunne tranen niet bedwingen, en zelfs de majoor deed geen moeite de zijnen te weêrhouden.

t Was een familietafereel, die „vader der soldaten" op den rand der krib zittende, hand in hand met een zijner stervende zonen! Die ruwe klanten, met geblakerde en vermagerde gezichten, met diepe litteekens, of halfgesloten wonden, als kinderen weenende bij het sterfbed van een broeder! Een tafereel, dat men waarlijk niet in een kazerne, in een hospitaal te velde zou verwachten.

En toch was t juist zoo; die officier en die soldaten, die elkander

Sluiten