Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bleeke gezichtjes die eens blozend uit Holland kwamen, aan fletse moegewerkte oogen van mannen, die dag in dag uit, op kantoren in broeihitte hun geld verdienen, die 's avonds te uitgeput zijn om in iets belang te stellen, ik denk aan de warme huizen, de stoffige wegen en in de vreugde van al dit „schoone" om mij heen, zou ik allen die zich afsloven daar, hier willen hebben ... o, kon ik u opheffen uit het sleurleven!... Ik weet wel dat het niet gaat. Er zijn enkelen die een, twee, drie weken genieten van de bergen, maar het kost geld, men is gebonden aan zijn werk en . . . men is nu eenmaal in Indië om te verdienen en te sparen voor Holland!

Mijn koetsier maant tot instappen, waant het gaat al hooger en hooger. Vrouwtjes, die hout sprokkelen zie ik hier en daar tusschen de boomen — een jager met roodbruin gezicht onder den grooten witten hoed, passeert mij — zijn beenen steken in rijlaarzen, 't geweer hangt recht aan den bandelier langs zijn schouder. Achter hem komen vijf, zes Javanen die in hun midden, hangend aan een stuk hout, een zwart glinsterend wild zwijn torsen — de honden loopen ongeregeld dooreen, nog uitgelaten van de woeste jacht, achter den baas aan, met de roode laptongen uit den bek.

Dat was even een stuk leven in de stille heilige natuur. Mijn paardjes trekken den berg op en nu worden de eerste kleine, lage huisjes zichtbaar, die bij het hötel behooren.

Ik heb vriendschap gesloten met een „Katjong" (jongetje). Hij zit 's morgens om zes Uur, verkleumd, gedrapeerd met de plooien van een overgeworpen saróng, op de trap

Sluiten