Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O! hoe aardig, het is of ik door de schietgaten van een kasteel kijk! Ik zie zwermen meeuwen met hun breede, witte vleugels door de licht tintelende lucht wieken — ik zie het riet wuiven, een enkel ook op stelten staand huis met kleine raampjes en puntig dak, verder groote, roerlooze eenzaamheid! Beneden op het erfje van het huis zijn nog een paar „bijgebouwen", daar zie ik eenige soldaten, de bewaking voor den bewoner van 't huis — verder niets — in de verte is het ruischen van de zee.

In de kamer, of ik kon wel zeggen, zaal, is alles bijeen, het bed, een waschtafel, een schrijftafel en ook onze tafel is er gedekt. Twee Boegineesche meisjes bedienen ons. Een ervan is een pas vrijgemaakte slavin, die onder de tyrannie bukte van een der vorsten. Nu de beschaving in het land is gekomen is ze vrij geworden en dient hier als „kokkin". Het is een vreemde maaltijd. Wij hebben pret om al het primitieve en klinken met ons drieën op onzen gastvrijen, afwezigen gastheer, aan wien ik toch nog even een briefje schrijf om hem te bedanken, dat hij, hoop ik, later op zijn schrijftafel heeft gevonden.

Na den maaltijd bezie ik het heele huis eens, tot groote vroolijkheid van het gewezen slavinnetje. Zoo gemakkelijk als in een gewoon huis stapt men hier niet van de eene naar de andere kamer, want er zijn drempels van zeker een el hoogte, waar men overheen moet klauteren als in Holland over het hek van een weiland. Waarom de menschen het zich in huis hier zoo lastig maken, weet ik niet. In alle Boegineesche huizen waar ik nu tijdens mijn verblijf bier geweest ben, heb ik die hooge drempels aangetroffen. Ik bezie de keuken en de logeerkamer en kijk weer eens door al de kleine vensteropeningen (zonder glas) en ver-

Sluiten