Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weer uit te kijken en hetzelfde te zien, de verre vlakte, den langen zandweg, de glinsterende lucht. Als de dragers moe worden, lossen anderen hen af. Andere schouders zetten zich onder de bamboestokken en het duurt een oogenblik voor zij den vereischten onregelmatigen pas hebben die het minst doet schokken. Het gaat voort zoo — uren.

In blauwe tint rijzen er bergen aan den horizont.

„Zijn dat de bergen van Soppeng?" vraag ik den fuselier.

„O neen," is zijn antwoord, „die zijn daarachter."

Maar het is toch iets, we naderen toch de bergwereld en opeens zie ik heel in de verte iets aankomen — dravende paardjes — wel vier of zes en meer, ruiters die ons naderen en het voorste gedeelte van onzen stoet zie ik stil houden. Nu begrijp ik het —» men komt ons uit Soppeng tegemoet en mijn vermoeden bevestigt zich als ik eenige ruiters naar mij toe zie komen draven. Ik laat even halt houden en reik de ons verwelkomenden de hand — ook den bruinen Boegineeschen tolk die er in zijn kakhipak bijna als een Europeaan uitziet en in zijn vierkant Hollandsen zegt: „Welkom Mevrouw."

De ons tegemoet komende kapitein die mijn man voor den tijd dien hij op Java was, als bestuurder vervangen had, bracht behalve zijn dekking nog een paar Boegineesche „Grooten" mee en zij verlevendigen den stoet door hun roode door den wind opgeblazen sarongs, door de witte doeken die ze om het hoofd geslagen hebben en hunne rappe trippelende paardjes, die zij met geweld moeten inhouden om bij te blijven.

Zoo gaat het verder, altijd maar de zon vlak te door, de bergen tegemoet, die langzamerhand grooter en donkerder

Sluiten