Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan zijn wij er zeker gauw! Het huis moet aan de rivier liggen, de eerste die wij over zullen trekken en nu zie ik ook iets glinsteren beneden in het dal en daarbij de stroodaken van een groepje huizen.

De weg daalt, wij zijn er binnen eenige minuten, ik voel mij van de schouders der dragers op den grond neerzetten. Nog voor ik uit den draagstoel kan kruipen, zie ik een bruin mager handje naar mij uitgestrekt en een vriendelijk oud gerimpeld gezichtje gluurt onder de tent van het zeildoek naar mij. Dat is de moeder van Oemar.

Ik stap uit en het oude vrouwtje schudt mij de hand. Het is vreemd, maar ze is voor mij in 't geheel geen Boegineesche vrouw, zij heeft iets beschermends, iets goeds, iets zoo gewoons alsof ik haar al lang ken. Ze kon even goed een net oud wijfje uit een Hollandsch hofje zijn, ondanks haar inlandsche kleeding en hoewel ik geen woord tot haar kan zeggen in haar taal en zij, dat wel wetende, ook niets zegt en mij maar aankijkt en toeknikt, is 't toch of we elkaar volkomen begrijpen. Het is een nietsbeteekenend geval en toch vergeet ik dat oogenblik niet; er ging werkelijk een groote bekoring uit van haar aanmoedigend „welkom" en „kom in mijn huis, wees mijn gast," dat zij zonder een woord te spreken, op de meest hoffelijke wijze nitte. Ik ken haar nu al beter en kan zelfs eenige woorden met haar spreken, maar zij bfijft altijd hetzelfde type van „goedheid" voor me en altijd nog knikt ze me op een bijzonder intieme wijze toe, alsof ze zeggen wil: „wij kennen elkaar!"

En rondom ons staan al de familieleden en huishoorigen van Oemar of eigenlijk van diens broer. Onder het huis zitten eveneens nieuwsgierigen. Onze karavaan heeft zich

HL

Sluiten