Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

***** »»«

vooruitgaan. Ik had haar zelf ook willen opzoeken, de vrouw van een luitenant, die met mijn man de eenzaamheid van Celebes deelde ... maar tot nu toe had ik haar nog niet kunnen ontmoeten. Wij zouden dus beide die groote reis aanvaarden. Wij zouden (daar althans) de eerste vrouwen zijn die in het land zouden wonen, dat gisteren nog oorlogsterrein was, nu „gewoon garnizoen" m een streek waar „vrede" was en ik voelde gestaag onder ons gesprek door, onder het „wat zullen we meenemen?" en „hoe zou het er zijn?" de gedachte hangen, de groote vraag: „Zullen we elkaar sympathiek zijn?" Ja, ik weet 't, dat dacht zij, dat dacht ik! We poogden elkaar te peilen. Ik zag wel dat zij nog jong was en 't kwam ook uit — nog geen jaar in Indië en dan nog zoo echt Hollandsen ... We hebben elkaar toen tot weerziens gezegd — wat mij betrof was dat weerziens vol goeden moed en oprecht gemeend.

En nu zal over een uurtje dat weerzien plaats hebben. Ik wist van anderen dat zij een vreeselijke reis had gehad. Het stoombarkasje had zijn slechte humeur gehad — dus had ze in een prauw moeten liggen en daarbij had het gestortregend, zoodat de tocht in den draagstoel een marteling geweest was zonder eenig genot van 't natuurschoon ... Ik heb het dus wel getroffen.

Ik soes voort. Ik denk aan 't portretje dat de luitenant, die met ons meereist, mij aan boord heeft laten zien. Zijn vrouw en kind, beiden van 't echtste blonde type — 't kindje heel fijntjes met 't kopje tegen de moeder aangedrukt en m verrukking heeft hij mij verteld dat er een telegram" naar haar heen is met „Kom". Die zullen dus ook komen later; 't wordt een kleine kolonie! Ik peins er over dat het toch wel een beetje gevaarlijk is zoo'n klein kindje

Sluiten