is toegevoegd aan uw favorieten.

De Hollandsche vrouw in Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt. Wat straks een onwezenlijk droomgezicht leek, begint nu te leven, licht en schaduw trekken over de reuzenbergprofielen, die zich zacht donkergrijs opheffen tegen anderen, die baden in blauw gouden glans. Links klompen ze op in massa's, hoog en somber opdringend als de wolken er over heen drijven, rustig en zacht in aandoenlijke plechtige schoonheid, als de zon ze belicht en de lapjes grond van verschillende kleur, de groene bosschen, de kleine huisjes, de zwarte rotspiekken tusschen licht fluweelgroen duidelijk laat zien. Recht voor onzen heuvel worden de plateaux lager, de geheele bergmassa verglijdt naar het dal en op de laatste helling met het front naar ons huis gekeerd staat tusschen dichte groote boomen het vorstenverblijf. Boven het omringende geboomte kijkt de groote buffelkop met de gekromde horens uit, in den nok van het huis aangebracht — het teeken van een adellijke verblijfplaats. Het hooge dak spits uitloopend, de vele kleine raampjes waaruit soms oranje of roode lappen waaien, trekken den blik telkens weer daarheen. Het is het punt in 't landschap voor me, dat groote sierlijke huis met de vele boomen en daarnaast beneden langs de recht afgehouwen berghelling, waar dotten slingerplanten van neerhangen, de breede geelgrijze weg — het eerste teeken van beschaving hier, want die weg is door de Europeanen gemaakt. Een inlander loopt zijn leven lang over smalle paadjes, door de bloote voeten er in getrapt en het is of deze weg daar heen gaat in stillen triomf, breed, wijd uit, op zijde sehiüvend de kleine onwillige struiken, om den berg heen, als 't moet er over, verdwijnend voor mijn oog tttsschen dichte bamboestruiken . .. Die weg daar, dat is het blanke ras; die doet als wij . . . Beschaving brengen