Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

we, in elkaar groeiende en grijpende woekerplanten, broeinesten van slangen worden door ons ontnrimd, wèg er mee, verbrandt het! maar vele bloemen vinden daarbij den dood, en vele akkers gaan er mee te niet en reuzenboomen met eeuwenoude stammen vallen met een kermende zucht

Als de breede weg er dan eenmaal is, loopt geen inlander er over. Op het paadje tusschen het gras schuiven ze achter elkaar en maken zoo hun eigen weg ...

Het vorstenverbKjf aan den overkant kijkt mij aan met zijn vele kleine raampjes — ja het kijkt stom, groot en verbaasd, wat zou het denken van dat nieuwe leven aan den overkant, waar de blanke menschen zich hebben neergezet? O! niet voor niets is deze heuvel door hen gekozen om het huis te bouwen van den man, die uit naam van het Gouvernement gebiedt! Recht tegenover den vorst en iets hooger dan hij — zoodat hij moet „dalen" als hij den vorst bezoekt en de vorst moet „opgaan" tot hem. Ja, dat weet het, dat moet het voelen, maar wat het daarbij denkt, dat kan ik evenmin zien uit den blik dier vele raampjes, uit het doode masker van den grooten buffelkop, als uit de nachtzwarte oogen der inlanders, in wier geheimnisvoüe diepte wij blanken nooit doordringen! ...

Links op zijde van huis en weg, is het diepe ravijn volgroeid met boomen en struikgewas en daarover heen zie ik de verre groene vlakte, waar een blauw riviertje zich kronkelt over de grijze steenen, waar een enkel huis staat, dat mij denken doet aan een Geldersche boerderij en waar de lichte weg waarlijk weer te voorschijn komt, maar nu als een smal streepje, dat heensnelt ver weg, over de brug heen, naar de hooge bamboeboschjes en de plaatsjes Ladjikére en Madelö .. .

Sluiten