is toegevoegd aan uw favorieten.

De Hollandsche vrouw in Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alom begint het nu levendiger te worden. In de kleine kazerne achter op zijde van ons huis, voor mijn oog verborgen door een dicht, koel bamboeboschje hebben de verschillende signalen weerklonken, eerst al heel vroeg, voor ik nog buiten was, de reveille — dan: „Komt allen nu bij mij, want ik houd rapport" en daarna: „Voor den dokter! voor den doktèr ... voor den d..o..k..ter!" voor den dokter, die er niet is! Als ik later opheldering vraag over die eigenaardige lastgeving te verschijnen voor iemand, die niet op de plaats woont, hoor ik, dat het hier het teeken is voor de zieke soldaten of voor inlanders, die in het hospitaalt je zijn opgenomen, bij den korporaal-„ziekenvader" te verschijnen. Zware zieken of gewonden hebben wij hier echter nooit, daar zij voor ernstiger behandeling naar de klapperboomtreurige plaats Pompanoewo moeten vervoerd worden, waar de dokter is — tenzij zij natuurlijk al zoo erg zijn, dat vervoer niet meer mogelijk is!

Op den weg, die onzen heuvel afdaalt, verschijnt nu een schildwacht met eenige vuile, magere, half naakte kereltjes, met slordige, uitgewaaide, piekerige hoofddoeken. Het zijn „onze" gevangenen, menschen, die geen pas zijn komen halen, of die bij hun buurman gestolen hebben, of die met een buffel van een goeden vriend wat ver uit wandelen zijn gegaan, ook wel adellijken, „graven" en „baronnen", wier onderhoorigen geen belasting betalen, die allen worden aan het werk gezet, grassprietjes uittrekken, steenen netjes leggen en de schildwacht, het geweer aan den bandelier op zijn rug, kijkt toe.

Ook beneden in de smidse, een kleine met stroo gedekte schuur, begint de soldaat-smid zijn vuurtje te stoken en te hameren, dat het ver weg klinkt en de timmerman, ook