Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nauw op wordt toegezien dat een vorstin met een haar „ebenbürtigen" man trouwt, was haar neef de eenig aangewezen persoon.

Bij een vorst komt dit er niet zoo precies op aan. Zes of zeven vrouwen van ongelijke geboorte te hebben, is toegestaan, mits no. i maar zijns gelijke is.

Het is hierdoor en ook door de eigenaardige gewoonte der Boegineezen hun kinderen aan andere familieleden uit te leenen, zeer moeilijk te weten te komen hoe de familieverhoudingen zijn.

„Van wien is dat kind?" vroeg ik bijvoorbeeld op een aardig klein ventje wijzende, met de songko schuin op het donkere haar.

„O, dat is een kind van Aroe Lompeengen."

„Dus een broertje van Iyolle, dat aardige meisje?"

„Neen, 't is geen broertje van Iyolle." •

„Maar Iyolle is toch een dochtertje van Aroe Lompeengen?"

„O, jawel, maar dit jongetje is 't zoontje van een andere vrouw."

Zij vertellen dan wie die vrouw is. Een van minder „geboorte" dan ïyolle's moeder. Het jongetje komt dan op een keer bij mij met een vrouw. „Zijn moeder?" vraag ik.

„Ja," knikt 't jongetje. Maar later hoor ik alweer dat dit zijn moeder met was, hij noemt haar maar zoo, omdat hij bij haar is uitgeleend.

De verhouding van half-broer en zuster kennen ze niet. De kinderen onderling voelen zich geen familie van elkaar, Wel weten zij al heel klein precies wie hooger is en wie wèer wat lager en wie heelemaal niets is. „Gar nicht geboren", zooals men in Duitschland zou zeggén.

Sluiten