Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den staf, dan Boegineesche volgelingen, dan „petéké's" — dan weer de dekking en dat alles gevolgd door een stroom volk. Maar heel vooraan, aan de spits van den stoet, met de tong uit den bek, maar toch met een zekere waardigheid, die een politie-oppasser hem kan benijden, dribbelt kleintjes, met rond buikje en kort staartje, een zwart „Schippertje". Men behoeft het niet te vragen. Hij hoort er bij. 't Is volstrekt niet maar een gewone kamponghond, die mee is geloopen. Nu zij verder den weg opgaan, ga ik gauw naar huis om mijn gastvrouwelijke plichten waar te nemen.

Dat is opeens een drukte in het late middaguur rondom en in ons huis, dat het weken lang zoo stil heeft gehad, alleen maar geducht den storm heeft hooren brullen!

De hoofden met de vlaggetjes hebben den Gouverneur tot ons huis eer bewezen, deze zijn ook weg; en achter op ons erf, waar de bijgebouwen zijn, worden de petéképaardjes ontladen.

Het huis is opeens vol menschen en stemmen ... Als de moede reizigers zich laven aan een kop thee, zie ik onder het huis, tusschen de palen iets zwarts. Het is 't hondje. Twee bruine oogjes zien mij in een pikzwart snoetje aan, met een uitdrukking van: „Als je me weg wilt jagen, ga je gang maar, ik blijf toch, ik ben dood op!" En hij hoort aan niemand, vertelt een der heeren mij nu, hij is eigenlijk een expeditie-hond. Vroeger liep hij met de cavalerie mee, toen die van Celebes ging, heeft hij zich meer bij het Civiel-bestuur aangesloten. Het hondje rijst in mijn achting — dat is een verstandige maatregel! Maar alles wat riekt naar paarden, naar soldaten-slobkousen, dat heeft toch nog een bijzondere bekoring voor hem, hij is

Sluiten