Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja natuurlijk, tenminste wat u sprak!"

Nu vertelt hij me dat er op Pare-Paré een blauwe lichtkogel gezien is — het kon zijn dat mijn man die opgelaten had, dachten ze — maar hij verzekert me ,,'t kan niet, want ze hebben geen lichtkogels meegenomen."

We loopen nog wat heen en weer op 't zacht voor ons uit schemerende tuinpad, waar een hel vierkantje bij de deur van het telephoonhuisje neerschittert. In het hertenkampje is geschuifel en geritsel. Wij kunnen ze niet zien, maar ik weet dat de nieuwsgierige beesten uit hun slaaphokje zijn gekomen en nu met hun spitse snuitjes, hun lepelvormige, bewegende ooren over het hekje den donkeren tuin in staren, waar ze iets gehoord hebben.

Maar het geeft niet of wij al rond blijven loopen, eindelijk moet ik toch naar binnen en Lejeune troost me nog eens met een: ,,'t zal wel niets zijn. Misschien hebben inlanders vuurwerk afgestoken."

Dien nacht en nog een dag en nog een nacht wachten we op berichten, maar er komt niets. De halve „groep" is uit. We moeten dus geduld hebben. Maar den derden dag komt er een blootbeenig, mager mannetje met slordige hoofddoek en ruige haardos den tuin binnen en hurkt neer bij het huis. Eindelijk een briefje I „We zijn erg moe — 'tis een vreeselijk terrein. Wil je andere paarden sturen? Hannibal kan niet meer en ook nog dekens s. v. p., want we kunnen niet slapen van de koü. We zijn D. P. dicht op 't spoor. We hebben zelfs zijn „Songko" (gevlochten hoofddeksel), die hij bij het springen verloren moet hebben. Hij is als een opgejaagd hert. Hij brengt nooit een nacht op een zelfde plaats door . ."

Een echte wilde jacht dus! Maar gelukkig, dat van de

Sluiten