Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gieten begonnen is. Geen heerlijker gezicht in de droge, regenlooze maanden, dan het begieten der stoffige grijsgroene planten, het is of de weldadige koelte bij dat gezicht alleen al ons tegemoetkomt. Geen wonder dat de kinderen geen grooter genot kennen dan helpen gieten, emmers water helpen aanslepen van den put en dat rijkelijk uitstorten over alle bloemen en heesters in den stoffigen, warmen tuin. Vader en moeder zitten met het theeblad in de voorgalerij, wie dorst heeft holt daar even heen om een kopje kinderthee haastig leeg te slobberen, en in het voorbijgaan even de baby toe te lachen, die nu haar feestelyk halfuurtje heeft en op schoot mag zitten.

Tegen vijven daalt de zon eindelijk achter de huizen, een zacht windje komt opzetten; nu is het tijd om de modderige tuinhanden en voeten te gaan afspoelen en nette kleeren aan te trekken in plaats van de heerlijke tjelana monjet's.

„Allemaal klaar? Dan gaan we wandelen." De baby ligt al in den wagen, en Joopje solliciteert ijverig om te „hellepe douwe". Erik is al een heel eind vooruit, hij is een stoomwals en moet dus telkens achteruit — vooruit — achteruit, om den weg heelemaal goed vlak te walsen. Mieke plukt pluimen in het gras langs den weg voor het vaasje thuis in haar kamertje. De wandeling gaat buiten de stad, langs het breede afvoerkanaal, waar op de met gras begroeide hellingen van den dijk heele troepen karbouwen zich log voortbewegen naar het water toe, waar ze gebaad zullen worden. De kleine karbouw-jongens zitten op hun rug

Sluiten