Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

En nu tot welken menschenstam behoort de inlandsche bevolking van den Oost-Indischen Archipel, inzonderheid van Java?

Zij behoort tot den zoogenaamd Maleisch-Polynesischen stam.

Dit menschenras onderscheidt zich van andere door de gelaatskleur, die licht roodkleurig bruin is met eene min of meer olijfkleurige tint, door zwart en sluik haar en een bijna baardeloos gelaat. Zij zijn kleiner van gestalte dan de Europeanen, hebben een eenigszins breed en plat gelaat, een weinig schuins staande zwarte oogen, een vrij kleine welgevormde neus met wijde neusgaten, een grooten mond met breede, maar welbesneden lippen, en eindelijk een ronde en goed gevormde kin. Verder lezen wij van den Maleier, dat hij in zich zejven gekeerd is, weinig vatbaar voor levendige indrukken, bedachtzaam en schroomvallig. In zijn spreken is hij langzaam en bedaard. Iemand voor den gek te houden of te plagen, zegt de heer Bos, is geheel in strijd met zijne geaardheid; want hij is fijngevoelig op het punt van beleefde vormen. Toch kunnen al die eigenschappen gepaard gaan met een meedoogenlooze wreedheid en eene verachting voor het leven, die de schaduwzijde van het karakter des Maleiers uitmaken. Vooral wanneer de dweepzucht hen verblindt, kent hunne woestheid geen grenzen (amok maken).

Al ontbreekt het onder de volken van den Maleischen stam, vooral op Java, niet geheel aan voorbeelden van hooger ontwikkeling en zucht naar kennis, toch hebben zij de meeste elementen van beschaving te danken aan de vreemde volken, die ach-

'ijrr *» ï >-t *•« ; r • •.* .TSiV . t

Sluiten