Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Chijs !) — meer te vernemen dan hetgeen Tiele daaromtrent schreef, waarom hij diens resultaat met de eigen woorden weergeeft. Dien veiligen gids zullen ook wij volgen ).

Drie maanden later, in Maart 1618, bevond zich Reael met Van der Hagen en 't Lam in den Banda-Archipel. De Engelschen hadden zich, zooals wij reeds vermeldden (bl. 153) op Poeloe Roen verschanst en wachtten versterking uit Bantam. In het begin van April kwamen er werkelijk twee Engelsche schepen opdagen, maar Reael had vier van de zijnen uitgezonden om hen op te wachten. Na een kort gevecht bukten ze voor de overmacht. Nu werd tot een tocht naar Roen besloten, maar eerst in Mei kreeg men de noodige versterking uit Ambön, en juist in dien tijd begon de moesson hier te waaien, zoödat men op dat eiland niet landen kon. 1 oen besloot men Lontoor aan te tasten, welks bewoners gesteund door de Engelschen tot de raddraaiers van den tegenstand tegen de onzen behoorden; maar de poging van t Lam om hun voornaamste sterkte te vermeesteren mislukte, loch verbond zich weer een deel der bewoners van Oroot-Banda om de noten naar I\eira

te komen brengen.

In Juli 1618 vertrok Reael over Ambon, waar de bevolking door Engelschen invlc^ed voortdurend in gisting verkeerde, naar de Molukken, waar evenzeer ontevredenheid heerschte. Zelfs zouden in 1617 eenige lernatanen hebben samengespannen om zich van het fort te Malajo meester te maken.

>Naar het eenstemmige getuigenis van allen, die er over konden oordeelen, was die ontevredenheid op alle specerij-eilanden aan geen andere oorzaak te wijten, dan aan het bevel der Bewindhebbers der Compagnie om de inlandsche kooplieden te weren". Van der Hagen, Reael8), Van Speult (luitenant-gouverneur van Ambon) allen waren het over het onrechtmatige en onstaatkundige van dien maatregel eens.

') De vestiging vim het Nederlandsclie gezag over de Banda-eilanden. Bl. 10.3.

-) P. A. Tiele. Bouwstoffen voor de Geschiedenis der Nederlanders in den Maleiscuen Archipel. 's-Gravenhage, Martinus Nijliolt'. 1886. Deel I. Inleiding, 1)1. XXXIII e. v.

3) Zie boven bl. 155.

Sluiten