Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die er dan ook door staatsmanskunst weldra in slagen zouden (Juli 1619) op het papier een verdrag tusschen beide Compagniën tot stand te brengen, toen de mannen van de daad in Indië zelve den knoop doorhakten, van oordeel zijnde, »dat de gerezen twisten niet in de conferentiezaal met de pen, maar op het terrein met het zwaard moesten worden uitgemaakt".

En tot die mannen behoorde behalve Jan Pietersz. Coen ook Thomas Dale.

Nauwelijks waren er zes dagen na zijn aankomst voor Bantam verloopen of Dale, uit wiens lastbrief, hem door koning Jacobus verstrekt, met eenigen goeden wil gemakkelijk kon worden afgeleid — tegen de bedoeling des konings in — dat de Engelschen voortaan niet alleen tot zelfverdediging, maar ook tot het nemen van schadevergoeding voor vroeger reeds geleden verliezen gemachtigd waren, of Dale maakte zich van het Compagnieschip de Zwarte Leeuw meester, dat rijk geladen van Patani terugkeerde. Onmiddellijk nadat Coen in het midden van den nacht daarvan onderricht was, zond hij van Jacatra een ijlbode naar den Engelschen bevelhebber met last om opheldering te vragen. Het antwoord van den Engelschman stond gelijk met een oorlogsverklaring. Schamper beet hij den bode toe, dat hij met opzet het schip genomen en met opzet post gevat had in straat Soenda, om alle gaande en komende schepen der Nederlanders hetzelfde lot te doen ondergaan. Weldra zou men hem met zijn geheele macht voor Jacatra zien verschijnen om de Hollanders te verjagen en zich van Generaal Coen dood of levend meester te maken!

Dit antwoord werkte op Coen, als ontving hij een zweepslag in het aangezicht. Al ware zijn fiere ziel voor vrees toegankelijk geweest, na deze beleediging der Compagnie in zijn persoon aangedaan, zou zij hem voor goed eene vreemde geworden zijn. Aan mij de wraak, dacht Coen, al sprak hij niet. Wel zat hij bijna zonder verdedigingsmiddelen — immers had hij pas kort geleden schepen, matrozen, soldaten en krijgsvoorraad naar Banda, Ambon en de Molukken gezonden, afgaande op het gerucht , door de Engelschen zeiven verspreid, dat zij voornemens

Sluiten