Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV.

NEDEKLANDSCH-INDIË TOT AAN DEN DOOD VAN JAN PIETEESZ. COEN.

Jacatra was gevallen en reeds den volgenden dag, den laatsten van Meimaand van 1619, zond Coen met de ruimste zelfvoldoening bericht van het gebeurde aan den rijksbestuurder van Bantam. Als ware Jacatra een van Bantam geheel onafhane nJk > ofschoon het door de verdrijving van Widjaja Krama weer onder de volstrekte souvereiniteit van Bantam was terugge racht, gaf Jan Pietersz. Coen kennis aan Rana Mangala dat hij Jacatra verwoest had, om de bevolking dier plaats voor hare trouweloosheid te straffen, daarbij voegende, dat hij plan had om weldra met zijne vloot voor Bantam te verschijnen; tevens verangde hij het ontslag der gevangen Nederlanders >om questie te voorkomen".

Als een bliksemstraal uit helderen hemel trof deze tijding den op zoo iets niet verdachten Rana Mangala. Ontzetting greep antams bevolking aan, die nog toenam, naarmate het aan den dood ontkomen krijgsvolk uit Jacatra binnen Bantam kwam gevloden. Men dacht niet anders of weldra zou Bantam het lot van Jacatra deelen. De geheele bevolking werd aan het werk

13

Sluiten