Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de schuld daarvan moest men echter niet bij hem zoeken, maar bij het hoofd der Nederlandsche loge, die zich vergrepen had aan de vrouwen zijner onderdanen. Wat echter geschied was, was geschied, en van weerszijden moest nu alles vergeven en vergeten zijn. Als zoo iets weer mocht gebeuren, zou hij de Nederlanders, die zich op zijn gebied misdroegen, aan de autoriteiten te Batavia overleveren; de Gouverneur-Generaal mocht dan hetzelfde doen met misdadige Javanen, zijne onderzaten. Er moest vrede zijn tusschen hem en den Gouverneur-Generaal. Batavia was voor hem veilig en indien de Generaal zich niet machtig genoeg voelde om Bantam in bedwang te houden, welnu hij, de Panembahan van Mataram, bood hem zijne hulp aan.

De Haen gaf hierop, getrouw aan zijne voorschriften, een ontwijkend antwoord. Het lag volstrekt niet, antwoordde hij, in de bedoeling der Compagnie aanvallend tegen Bantam op te treden. Had zij dat gewild, zij zou het reeds voor acht of tien jaren hebben kunnen doen.

De Vorst, die zeer goed onderricht schijnt geweest te zijn van de bedreigingen van Rana Mangala *) en de behoeften van den Nederlandschen handel, antwoordde hierop zeer fijn en schijnbaar goedaardig: de Generaal vreest wellicht, dat de Bantamsche vorst de peperranken, in geval van oorlog, zal vernielen; hij zij daarover niet bekommerd, op mijn bevel zal door mijne bevolking opnieuw de peper worden geplant, en voor rijst of andere eetwaren zende de Generaal naar Tagal, Kendal, Demak of Japara, even vrij alsof hij naar Batavia zond. Wat Bantam betrof, de Panembahan kwam er rond voor uit, een krijgstocht tegen den vorst van dat land, die met het hem vijandige Soerabaya betrekkingen onderhield, lag in zijn plan. Welhaast zou hij Soerabaya onderworpen hebben, en dan zijne wapenen tegen Bantam keeren, wanneer hij hoopte, dat de Nederlanders de blokkade, die zij daar uitoefenden, zouden volhouden.

Nadat de vorst ten slotte verzocht had, dat er van nu aan

') Zie boven bl. 194.

Sluiten